Naar hoofdinhoud

Artikel 6:

Afhandeling aanvraag vergunning

Onderdeel van Verordening boombescherming gemeente Sluis

Uitgangspunt in deze verordening is dat het belang ligt bij het behoud van waardevolle en monumentale bomen. Alle andere bomen zijn vergunningvrij, waarbij alle partijen (zoals de gemeente en de aanvrager van de vergunning) overigens wel de regelgeving binnen het bestemmingsplan en voor natuurbescherming in acht moeten nemen (bijvoorbeeld niet kappen tijdens het broedseizoen).Stilzwijgend gaat de gemeente ervan uit dat (te) zieke of gevaarlijke bomen altijd voor vergunning in aanmerking zullen komen. De vergunning voor het vellen van houtopstand is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder g van de Wabo. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de (eenmalige) verdagingstermijn zes weken. De indieningvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringgronden staan in artikel 6 van deze verordening. Vaak zal naast de vergunning nog een vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Natuurbeschermingswet of de Flora- en Faunawet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen. De Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet haken aan bij de Wabo. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. De Boswet haakt echter niet aan bij de Wabo. Indien die van toepassing is, blijft een aparte melding vereist. In de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor) zijn indieningvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen. Naast een aantal algemene indieningvereisten (zie daarvoor de toelichting bij artikel 5) zijn er in artikel 7.3 van de Mor nog een aantal speciale indieningvereisten voor het vellen van houtopstanden opgenomen. Dit artikel 7:3 luidt als volgt: In of bij de aanvraag om een vergunning met betrekking tot het vellen van houtopstand, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de wet, identificeert de aanvrager op de aanduiding als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van deze regeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer. In of bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager per genummerde houtopstand: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf; c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; d. de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel