Herplantplicht. De voorschriften moeten concreet en precies worden uitgewerkt, bijvoorbeeld naar locatie, boomsoort of grootte. Uit de rechtspraak naar aanleiding van de herplantplicht blijkt dat beleidsmatige uitwerking van aard en omvang van de herplantplicht noodzakelijk is. Voor herplant kunnen de volgende richtlijnen gegeven worden:
de boom moet minstens een omtrek hebben tussen 20 en 25 cm op 1,30 meter hoogte;
de nieuw te planten boom moet geschikt zijn voor de groeiomstandigheden op de plaats van aanplant;
de aan te planten boom moet passen in zijn omgeving;
bij de plaatsbepaling moet rekening gehouden worden met het uiteindelijke kroonvolume en hoogte van de te planten boom. In beginsel moet de herplant plaatsvinden met bomen van dezelfde soort. Voor wat betreft de termijn waarbinnen de herplant plaats moet vinden, alsmede de termijn waarbinnen niet-aangeslagen herplant vervangen moet worden, kan aansluiting gezocht worden bij artikel 3, eerste lid, van de Boswet. Dit artikel stelt een termijn van maximaal drie jaar.
Natuurbescherming. Lid 2 maakt het mogelijk op grond van de geldende natuurbeschermingsregels, waaronder de Flora- en Faunawet (wet van 25 mei 1998, Stb. 402), Europese vogel-en habitatrichtlijnen, nadere concrete voorschriften op te leggen, bijvoorbeeld het niet vellen zolang er vogels broeden in de bomen of niet vellen op zodanige wijze dat nabije beschermde soorten planten of paddenstoelen vernield worden. Het niet mogen vellen in het broedseizoen moet in een vergunningsvoorschrift uitgewerkt zijn. De bescherming van broedende vogels geldt reeds op grond van de wet (art. 12 Flora- en Faunawet), maar soms is er de behoefte van concretere afbakening van begrippen als broedseizoen of wijze van vellen. De Flora-en Faunawet noemt geen data voor het broedseizoen. Dit is ook haast niet mogelijk, omdat niet elke vogel in de meimaand broedt. Sommige vogelsoorten, zoals de blauwe reiger en de bosuil, beginnen al in februari te broeden en bepaalde (zang) vogels broeden nog in augustus. De meeste vogels in dorpen, steden en bossen broeden echter ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Moerasvogels en andere watervogels broeden meestal tussen 1 april en 15 augustus. Op het moment dat beschermde inheemse broedvogels bezig zijn met hun broedproces, mogen er geen verstorende werkzaamheden of activiteiten plaatsvinden, dus ongeacht de periode van het jaar.
Andere werken. Lid 3 verwoordt de bevoegdheid van het bevoegd gezag om de vergunningverlening afhankelijk te stellen van andere vergunningplichtige werken en de uitvoering daarvan. Soms kan in een eerdere fase dan bij vergunning om te vellen al tot een aanhouding van het kapbesluit besloten worden op grond van artikel 6 van deze verordening. Uitvoering van deze bepalingen is afhankelijk van de wijze waarop de communicatie tussen de verschillende sectoren is geregeld. Ook hiervoor is een beleidsmatige uitwerking gewenst.
Er moet worden vermeden dat de waardevolle of monumentale houtopstand al feitelijk gekapt is voordat derden kennis van de omgevingsvergunning hebben kunnen nemen. Aansluiting is gezocht bij formuleringen en de systematiek uit de rechtspraak en de afstemming van de (voormalige) bouwvergunning op de milieuvergunning. De opschortende werking van deze standaardvoorwaarde is niet van toepassing tijdens de beroepstermijn. Dit is gedaan om oneigenlijk gebruik door bezwaarmakers te voorkomen. Nu moeten bezwaarmakers om tussentijdse kap te verkomen tijdens de beroepstermijn tegelijkertijd met het indienen van een beroepschrift een verzoek tot voorlopige voorziening indienen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de rechtbank. Ter voorkoming van directe kap na het ongegrond verklaren van de bezwaren, is een termijn van één week vastgesteld waarin de vergunninghouder niet mag kappen en de bezwaarmaker de mogelijkheid heeft een beroepschrift en een verzoek tot voorlopige voorziening in te dienen.