Aan de havenmeester, en bij diens afwezigheid aan zijn plaatsvervanger, wordt door het college mandaat verleend tot:
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1.4, tweede lid, 1.5, eerste lid, 1.6, vierde lid, 1.7, 3.1, eerste en derde lid, 3.2, tweede en derde lid, 3.3, derde lid, 3.4, derde lid, 3.5, eerste, tweede en derde lid, 3.6, vierde lid, 3.7, eerste en tweede lid, 4.1, derde lid, 4.4, eerste lid, 4.6, tweede lid, en 6.1, eerste lid, van de Havenbeheersverordening Schiedam 2010;
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2.1, derde lid, 2.4, tweede lid, 2.6, derde lid, 2.7, vierde lid, 2.8, vierde lid, 2.9, tweede lid, artikel 2.10, tweede lid, 3.1, tweede lid, 3.2, tweede lid, 3.3, derde lid, 4.2, tweede lid, 5.4, tweede lid, 6.1.3, 6.3.2 en 6.4.2 van het Havenreglement Schiedam 2011;
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 8 van de Scheepvaartverkeerswet;
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 6, zesde, zevende en negende lid, 6a, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, derde, vierde en vijfde lid, en 12a, vijfde lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1, eerste lid, 2, eerste en tweede lid, 3, eerste lid, 4 en 6 van de Wrakkenwet.
Aan de havenmeester, en bij zijn afwezigheid aan zijn plaatsvervanger, wordt door het college mandaat, volmacht of machtiging verleend tot:
het nemen van beslissingen, bedoeld in artikel 45 van de Wet bescherming persoonsgegevens en het ingevolge artikel 27 van de Wet bescherming persoonsgegevens melden bij het College bescherming persoonsgegevens van verwerkingen;
het uitoefenen van de bevoegdheden inzake de dwangsomregeling, bedoeld in de artikelen 4:17, 4:18 en 4:20 van de Algemene wet bestuursrecht;
het indienen van bedenkingen en het naar voren brengen van een zienswijze.