Het college van burgemeester en wethouders kan een vergunning intrekken indien:
a. blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend;
b. blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorschrift van de
vergunning;
c. van de vergunning geen gebruikt wordt gemaakt binnen zes maanden na het onherroepelijk
worden van de vergunning; dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit is
voorzien waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft
plaatsgevonden;
d. van de vergunning gedurende een periode van zes maanden of langer geen gebruik is
gemaakt;
e. het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de
inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden
na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van
voorschriften dat belang voldoende te beschermen.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 1
Artikel 2.1.3
Intrekken vergunning
Onderdeel van Brandbeveiligingsverordening 1994