1. Onze Ministers kunnen een erkenning geheel of gedeeltelijk intrekken:
a. op verzoek van de erkende persoon of instelling;
b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, en kennis omtrent de
juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
c. indien het bewijs van certificatie of accreditatie voor de desbetreffende werkzaamheid is
ingetrokken of niet meer geldig is;
d. indien de erkende persoon of instelling in staat van faillissement verkeert of surseance van
betaling heeft verkregen, of
e. indien de erkende persoon of instelling of de natuurlijk persoon, bedoeld in artikel 9, tweede
lid, een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of krachtens dit besluit, bij of
krachtens de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht,
voor zover de overtreding verband houdt met een werkzaamheid.
2. Onze Ministers kunnen een erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren,
geheel of gedeeltelijk schorsen, indien:
a. het bewijs van certificatie of accreditatie voor de desbetreffende werkzaamheid is geschorst, of
b. sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onder e.
3. Indien een besluit tot intrekking of schorsing betrekking heeft op een
certificeringsinstelling blijven de door deze instelling afgegeven certificaten gedurende zes
maanden geldig.
4. Ingeval van aanwijzingen dat er sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel e, kunnen Onze Ministers de desbetreffende persoon of instelling verzoeken binnen
een redelijke termijn een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens over te leggen, die niet ouder is dan twee maanden. Indien
de desbetreffende persoon of instelling niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoet of
kan voldoen, kunnen Onze Ministers de erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren
geheel of gedeeltelijk schorsen.