Naar hoofdinhoud

Artikel 7.

Ontstaan van belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van een afvalstoffenheffing 2010

1.. Voor zover de belasting wordt geheven naar de maatstaf, genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is zij verschuldigd bij het begin van het heffingstijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.. Voor zover de belasting wordt geheven naar de maatstaf, genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is zij verschuldigd bij het einde van het heffingstijdvak. 3.. Indien de belastingplicht in de loop van een belastingtijdvak aanvangt, is de belasting, voor zover zij wordt geheven naar de maatstaf, genoemd in artikel 4, eerste lid aanhef en onderdeel a, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het over het gehele heffingstijdvak verschuldigde bedrag als er in het heffingstijdvak na het begin van de kalendermaand waarin de belastingplicht is aangevangen, maanden overblijven. 4.. Indien de belastingplicht in de loop van een belastingtijdvak eindigt, wordt op verzoek naar tijdsgelang ontheffing verleend van de belasting, voor zover zij wordt geheven naar de maatstaf, genoemd in Hoofdstuk I, onderdeel 2, 2.1 en 2.2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. De ontheffing beloopt zoveel twaalfde gedeelten van het over het gehele heffingstijdvak verschuldigde bedrag als er na afloop van de kalendermaand, waarin de belastingplicht eindigt, maanden overblijven. 5.. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel