Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 20.

Ingangsdatum

Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012 gemeente Midden-Delfland

Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2012. Per 1 januari 2012 komt de ‘Afstemmingsverordening Wwb’ uit 2004 te vervallen. Per 1 januari 2012 komt de ‘Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren’ uit 2010 te vervallen. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 29 mei 2012. De griffier, de voorzitter, A.de Vos, A.J. Rodenburg Algemene toelichting De Wet werk en bijstand (WWB) schrijft voor dat de gemeenten voor bepaalde onderwerpen regels dient vast te stellen in een verordening. Eén van die onderwerpen betreft het sanctiebeleid. De WWB kent slechts één soort sanctie, het afstemmen/verlagen van de uitkering. Het recht op uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Het verlenen van bijstand bestaat uit twee onderdelen, enerzijds het verstrekken van een inkomensvoorziening en anderzijds het verstrekken van ondersteuning bij het zoeken en/of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, of voor jongeren de terugkeer naar school. Wanneer men tot het oordeel komt dat een uitkeringsgerechtigde verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Dit heet het ‘opleggen van een maatregel’. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van het verlagen van de uitkering. Artikel 18 van de WWB schrijft voor dat verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de gemeenteraad vast stellen verordening. Het eerste lid van dit wetsartikel schrijft voor dat het college zorg draagt dat de bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Het tweede lid schrijft voor dat de bijstand wordt verlaagd wanneer de belanghebbende zich niet aan zijn verplichtingen houdt, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor zijn bestaansvoorziening en/of zich jegens het college ernstig misdraagt. Ingaande 1 januari 2012 is de WWB gewijzigd en is de Wet investeren in jongeren (WIJ) ingetrokken. De bijstandsverlening aan jongeren tot 27 jaar is opgenomen in de WWB. Tegelijk is ook het huishoudinkomen ingevoerd. Alle inkomens binnen een huishouden tellen mee om het recht op bijstand vast te stellen. Een maatregel die wordt opgelegd kan dus gevolgen hebben voor alle gezinsleden. Het college zal hier zorgvuldig mee om moeten gaan. Doordat er in de gewijzigde WWB een aantal nieuwe verplichtingen staan (o.a. voor jongeren), is herziening van de huidige afstemmingsverordening noodzakelijk. De voorliggende maatregelenverordening biedt de basis voor het opleggen van een maatregel en biedt de burger rechtszekerheid: het geeft aan in welke gevallen er een maatregel kan worden opgelegd. Het houdt tevens in dat het niet is toegestaan een zwaardere sanctie op te leggen dan volgens de verordening is toegestaan. Het college moet, voordat de maatregel wordt opgelegd, rekening houden met alle omstandigheden, mogelijkheden en de financiële situatie van de belanghebbende of het gezin. Daarnaast probeert de gemeente de belanghebbende zijn verhaal te laten doen. Het opleggen van een maatregel is hiermee maatwerk. Bij de totstandkoming van deze verordening is gekeken naar de modelverordening zoals aangeboden door de VNG, alsmede de, nog vast te stellen maatregelenverordening 2012 van de gemeente Delft. Op grond van artikel 18, lid 2, WWB kan zowel de algemene bijstand als de bijzondere bijstand worden verlaagd. Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen niet in de rede. Uitzondering hierop kan zijn de bijzondere bijstand die in de vorm van een toeslag op de algemene bijstand aan jongeren tussen de 18 en 21 jaar kan worden verstrekt als aanvulling voor de algemeen noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Wel kan bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor overige vormen van bijzondere bijstand een rol spelen of de belanghebbende zijn verplichtingen in voldoende mate is nagekomen. Dit geldt dan vooral voor de plicht om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan. De relatie met de re-integratieverordening Gemeenten hebben ook de plicht een re-integratieverordening vast te stellen. In deze verordening wordt vastgelegd hoe belanghebbenden worden ondersteund bij de arbeidsparticipatie en hoe wordt omgegaan met het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing en stages, loonkostensubsidie en gesubsidieerde arbeid, sociale activering en kinderopvang. In beginsel worden aan iedere belanghebbende de arbeidsverplichtingen opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd. In de re-integratieverordening wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die kunnen worden ingezet. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele beschikking. Indien de belanghebbende de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de maatregelenverordening. De relatie met de Wet Inburgering Soms valt een belanghebbende tevens onder de Wet Inburgering (WI) en wordt hem/haar een inburgeringstraject aangeboden. Indien de WI-activiteit onderdeel is van het re-integratietraject is, valt de inburgeraar tevens onder de maatregelenverordening. Wanneer een dergelijke ‘samenloper’ een boete krijgt vanuit de WI, gaat de maatregelenverordening voor. De boete vervalt in dergelijke gevallen. Wijzigingen ten opzichte van de ‘Afstemmingsverordening Wwb’ uit 2004 en de ‘maatregelenverordening Wet investeren in jongeren’ uit 2010. De voorliggende maatregelenverordening wijkt op een aantal punten af van de tot op heden geldende ‘Afstemmingsverordening Wwb’ uit 2004 en de ‘Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren (WIJ)’ uit 2010. De belangrijkste wijzigingen zijn: invoering van de mogelijkheid tot het in sommige gevallen opleggen van een waarschuwing; het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden wordt zwaarder gewogen; de recidivetermijn (de termijn waarin een eerder opgelegde maatregel van invloed is op de volgende maatregel) is verlengd naar twee jaar; de berekening van de hoogte van de maatregel bij het niet of onvoldoende voldoen aan de inlichtingenplicht met benadeling is veranderd. Ad a) Waarschuwing Het uitgangspunt is dat verwijtbaar gedrag in beginsel leidt tot het opleggen van een maatregel. Onder de Algemene bijstandswet bestond de mogelijkheid om aan een belanghebbende een waarschuwing af te geven. In de praktijk bestaat er behoefte om bij “lichte” overtredingen de mogelijkheid te hebben om eerst een waarschuwing te kunnen geven alvorens er overgegaan wordt tot verlaging van de bijstand. Voorgesteld wordt nu deze mogelijkheid op te nemen bij: het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van deze registratie; het niet binnen de daartoe gestelde termijn nakomen van de verplichting om informatie te verstrekken die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan (uiteindelijk wel, maar niet tijdig); het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht dat niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand (de zgn. nulfraude). Aangezien aan dergelijke gedragingen geen of weinig directe gevolgen zijn verbonden, wordt met deze mogelijkheid geregeld dat bij een dergelijke eerste verwijtbare gedraging met een schriftelijke waarschuwing kan worden volstaan. Ad b) Het niet naar vermogen trachten arbeid te verkrijgen of te aanvaarden. Op grond van de ‘Afstemmingsverordening Wwb’ uit 2004 werd bij het niet naar vermogen zoeken naar algemeen geaccepteerde arbeid, een maatregel toegepast van 10% gedurende 1 maand. De ‘Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren (WIJ) uit 2010 kent deze specifieke maatregelgrond niet. Een van de belangrijkste uitgangspunten van de WWB is het zo spoedig mogelijk weer in zijn eigen levensonderhoud kunnen voorzien van de uitkeringsgerechtigde. Dit uitgangspunt komt tot uitdrukking in de arbeidsverplichtingen, die aan iedere uitkeringsgerechtigde worden opgelegd. Iedereen die kan werken, moet ook werken en dient hierin zijn verantwoordelijkheid te nemen. Alleen in die specifieke gevallen waarbij werk (nog) niet mogelijk is, wordt, al dan niet tijdelijk, ontheffing verleend van (een deel van) de arbeidsverplichtingen. Van de belanghebbende mag worden verwacht dat hij zijn uiterste best doet weer aan het werk te komen. Het opleggen van een zwaardere maatregel bij het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te vinden of te aanvaarden, sluit hierbij aan. Ad c) Recidivetermijn Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin belanghebbende de gedraging kon worden verweten en de omstandigheden waarin hij of zij verkeert. Daarnaast wordt bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel rekening gehouden met al eerder opgelegde waarschuwingen en/of maatregelen: heeft de belanghebbende al eerder maatregelwaardige gedragingen vertoond? Met andere woorden, is er sprake van recidive. Het opleggen van een maatregel beoogt immers een gedragsverandering te bewerkstelligen. De bedoeling is dat de belanghebbende ‘leert’ van een maatregel en zich vervolgens wel aan zijn verplichtingen houdt. Wanneer de belanghebbende zich binnen twee jaar na het opleggen van de eerste maatregel, wederom niet aan zijn verplichtingen houdt, wordt de duur van de tweede maatregel verdubbeld. Deze termijn was voorheen één jaar. Ad d) Berekening hoogte maatregel bij het niet voldoen aan inlichtingenplicht met benadeling Bij de berekening van de hoogte van de maatregel bij het niet (tijdig) voldoen aan de inlichtingenverplichting met benadeling is in deze verordening gekozen voor een andere systematiek dan voorheen. Gekozen is de hoogte van de maatregel evenredig te laten stijgen met het benadelingsbedrag. De hoogte van de maatregel wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag: hoe hoger het benadelingsbedrag, hoe hoger de maatregel. De maatregel kent zowel een minimum- als een maximumbedrag. Deze bedragen respectievelijk € 50,- en € 2.269,-. Artikelsgewijze toelichting

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel