Op grond van afdeling 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht is vastgelegd dat de gemeente, voordat de beschikking wordt opgesteld, in sommige gevallen de belanghebbende eerst moet horen. Dat betekent dat de belanghebbende eerst de gelegenheid dient te krijgen zijn of haar kant van het verhaal te vertellen. In dit artikel wordt het horen van belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Lid 2 bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht.
Bij het verlagen van de bijstand wegens het niet nakomen van arbeidsverplichtingen staat het corrigerende (reparatoire) karakter voorop. Als echter een maatregel wordt opgelegd vanwege agressief gedrag (LJN: BC1811 en BE8919), schending van de inlichtingenplicht (LJN: BA7556) of te snelle intering van vermogen, is er op basis van de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep sprake van een punitieve sanctie, waarin leedtoevoeging centraal staat. Bij het opleggen van een punitieve sanctie dient met bepaalde rechtswaarborgen rekening te worden gehouden (onder meer de cautie, de mededeling aan belanghebbende dat deze het recht heeft om te zwijgen alsmede het nemo tenetur beginsel, d.w.z. het beginsel dat niemand aan het tot stand brengen van bewijs tegen zichzelf hoeft mee te werken).
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.
Horen van belanghebbende
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012 gemeente Midden-Delfland