1.Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming verlenen voor het treffen van de volgende voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte, indien zonder deze woningaanpassing de woonruimte voor de gehandicapte ontoegankelijk blijft:
a het verbreden van toegangsdeuren;
b het aanbrengen van elektrische deuropeners;
c aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel;
d drempelhulpen of vlonders;
e het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning;
f een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het woongebouw;
g de aanleg van een traplift, mits deze alleen te gebruiken is door de gehandicapte, niet kwetsbaar is opgesteld en geen overlast oplevert voor overige bewoners voor wat betreft het gebruik van de gemeenschappelijke trap;
h de aanleg van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, die door de gehandicapte noodzakelijkerwijs gebruikt worden om de normale woonfunctie uit te oefenen, voor zover deze voorzieningen geen overlast opleveren voor overige bewoners.
2.Indien burgemeester en wethouders met toepassing van het eerste lid een financiële tegemoetkoming voor een voorziening of een voorziening in natura verstrekken, kunnen zij andere gehandicapten aanwijzen die van die voorziening gebruik mogen maken.
Hoofdstuk 4.
Artikel 21.
Woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten
Onderdeel van voorzieningen maatschappelijke ondersteuning