1.Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in artikel 15, lid 1 onder a verstrekken aan:
a de gehandicapte die op verzoek van de gemeente verhuist;
b een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een gehandicapte de woonruimte, bestemd voor permanente bewoning, heeft ontruimd.
2.Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, indien:
a de verhuizing niet heeft plaatsgevonden voordat burgemeester en wethouders op de aanvraag hebben beschikt, tenzij zij daar schriftelijk toestemming voor hebben verleend;
b de gehandicapte niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen;
c de gehandicapte verhuist vanuit en naar een woonruimte, die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden;
d de gehandicapte niet verhuist naar een AWBZ-inrichting of een bejaardenoord, tenzij het een ADL-woning betreft;
e in de te verlaten woonruimte ergonomische beperkingen zijn ondervonden.
3.Het maximumbedrag van de financiële tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door burgemeester en wethouders in het Besluit maatschappelijke ondersteuning.
Hoofdstuk 4.
Artikel 32.
Beperking in de verstrekking van een verhuiskostenvergoeding
Onderdeel van voorzieningen maatschappelijke ondersteuning