Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 8.

Artikel 8.

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning

1.. De hoogte van een door het college van burgemeester en wethouders te verlenen financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 36, onder c sub 2 t/m sub 5 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, is een forfaitaire (of gemaximeerde) vergoeding. Voor de vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de volgende normbedragen: voor de tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto geldt een normbedrag van € 835,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een bruikleenauto geldt een normbedrag van € 587,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een taxi geldt een normbedrag van € 1.164,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het alleengebruik (volledig leefvervoer) van een taxi geldt een normbedrag van € 1.626,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi geldt een normbedrag van € 1.962,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het alleengebruik (volledig leefvervoer) van een rolstoeltaxi geldt een normbedrag van € 2.648,- per kalenderjaar. 2.. Indien de gehandicapte tevens in het bezit is van een in het kader van de Wvg of Wmo verstrekte scootmobiel worden de in artikel 9 lid 1 genoemde tegemoetkomingen verlaagd met een percentage van 25. 3.. Degenen die per 31 december 2010 een autokostenvergoeding ontvangen komen bij ongewijzigde omstandigheden in aanmerking voor een overgangsregeling gedurende drie jaar, inwerkingtreding 1 januari 2011. De toegekende autokostenvergoeding wordt jaarlijks met 33,3% verminderd. Jaarlijks wordt ter vervanging van de verlaagde auto-kostenvergoeding tevens de aanspraak op een taxikostenvergoeding toegekend (2011: 33,3%, 2012 66,6% en 2013: 100%).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel