De welstandstoets heeft steeds plaats gehad aan de hand van de
volgende aspecten: het gebouw in zijn omgeving, het gebouw op
zichzelf, de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik. Die
indeling is op zich nog steeds bruikbaar en zal ook van nut blijken
bij het formuleren van criteria maar geeft zelf geen of onvoldoende
inzicht in de inhoudelijke kant ervan. Voor het 'inkleuren' van deze
aspecten met de algemene principes die de beoordeling van een
bouwplan op kwaliteit (of het ontbreken daarvan) mogelijk maken is
gebruik gemaakt van een notitie van voormalig rijksbouwmeester prof.
ir. Tj. Dijkstra waarin de aspecten in vijf punten worden
uitgewerkt. Die worden hier puntsgewijs samengevat, de complete
tekst is te vinden in de bijlage:
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag
worden verwacht dat:
Het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de
openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij
worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis
van het bouwwerk of van de omgeving groter is (relatie
tussen bouwwerk en omgeving).
Dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt
en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die
bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit
(betekenissen van vormen in de sociaal-culturele
context).
Er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de
aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat (evenwicht
tussen helderheid en complexiteit).
Het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat
beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en
vlakverdelingen (schaal en maatverhoudingen).
Materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het
bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met
de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan
duidelijk maken.
Deze algemene welstandscriteria worden als een vangnet gebruikt voor
die gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Ze
zijn ook, in hun samenhang, een illustratie van de wijze waarop de
onafhankelijke, deskundige en geïnteresseerde welstandscommissie tot
een oordeel komt, niet door het "afvinken" van onderdelen maar door
een integrale afweging.