Objectbeschrijving
Een veel in de gemeente Putten voorkomend historisch
boerderijtype is de hallenhuisboerderij. Kenmerkend voor deze
boerderijen is dat het woongedeelte, het voorhuis, en het
werkgedeelte, het achterhuis, onder één doorlopende kap zijn
geplaatst, waarvan de lengteas meestal evenwijdig aan de
verkavelingrichting ligt. Het voorhuis is op de weg georiënteerd
kent aan de voor- en zijkant meestal geen uitbouwen. Een brandmuur
scheidt woonhuis en schuurgedeelte van elkaar. Het bedrijfsgedeelte
kenmerkt zich door de centrale plaats van de deel tussen de stallen
in de middenbeuk. De stallen en opslagruimte bevinden zich onder een
groot dak met lage zijbeuken. Door deze lage zijbeuken komt hier het
dak van een hallenhuisboerderij tot dicht aan de grond. De meeste
hallenhuisboerderijen dateren uit de negentiende eeuw, hoewel ook
regelmatig boerderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw
voorkomen. Daarnaast zijn tot in de eerste helft van de twintigste
eeuw nog moderne varianten op het hallenhuistype gebouwd.
Vanuit deze standaardvorm ontwikkelde zich in verschillende streken
een aantal varianten. Het langhuistype, met een rechthoekige
plattegrond komt daarvan in Putten het meeste voor. Daarnaast
ontwikkelde zich de minder voorkomende T- of dwarshuisboerderij,
waarbij het woonhuis dwars op het achterhuis staat en het voorste
gedeelte van de zijgevel is opgeheven tot het niveau van de
voorgevel. Het woonhuis is veelal voorzien van een schilddak dat
haaks staat op het grote zadeldak van het bedrijfsgedeelte. Een
andere variant is de krukhuis-boerderij, waarvan slechts één
zijgevel is opgehoogd en verlengd zodat een L-vormige plattegrond is
ontstaan.
De één bouwlaag hoge massa wordt gedekt door een fors zadeldak
waarvan de nokuiteinden eventueel zijn afgewolfd. Bij modernere
varianten komen mansardekappen voor. De daken zijn gedekt met riet,
gebakken pannen of een combinatie van beide. Vaak hebben rieten
kappen een gedeelte met pannen voor de opvang van regenwater. De
bakstenen schoorstenen zijn vaak midden op de nok geplaatst.
Tuitgevels, waarbij de geveltop wordt beëindigd door de schoorsteen,
komen ook regelmatig voor. De voorgevels van de oudere boerderijen,
uit de zeventiende en achttiende eeuw, hebben een indeling bestaande
uit vier of vijf traveeën. In het midden bevinden zich twee vensters
of een voordeur met rechts daarvan een opkamervenster met
kelderlicht en links ervan een kleiner venster. Op de
zolderverdieping bevindt zich een klein venster of een luik. De
negentiende-eeuwse voorgevels hebben een meer symmetrische indeling
met beneden twee of vier vensters van dezelfde afmeting met
eventueel een centraal geplaatste deur. In de geveltop bevinden zich
meer grotere ramen en soms in de vorm van een serlianavenster.
Dit leidt aan de voorkant tot een hiërarchische opbouw van de gevel.
De gevelopeningen aan de voorzijde van het woonhuis zijn relatief
smal en hoog, vooral de raampartijen. Ramen met roedeverdeling komen
veelvuldig voor.
De ramen zijn in het bedrijfsgedeelte minder talrijk en kleiner van
omvang dan in het voorhuis. Daar tegenover staan de relatief grote
openingen naar de stallen en de deel aan zij- en achterkant. In de
zijgevels bevinden zich een eventuele hoofdingang, een tweede ingang
naar de keuken en in sommige gevallen een zijbaander, dat is een
dubbele schuurdeur in één van de zijgevels. In het midden van een
oorspronkelijke achtergevel is een dubbele schuurdeur, de
achterbaander, geplaatst met aan weerszijden kleinere mestdeuren. In
de geveltop zit vaak een zolderluik. Achtergevels zijn echter in
veel gevallen gewijzigd, hetzij door de moderne agrarische
bedrijfsvoering, hetzij door functieverandering.
De gevels zijn veelal opgetrokken uit roodachtige baksteen en
gemetseld in staand verband (één laag koppen afgewisseld met één
laag strekken) en hebben een donker gepleisterd trasraam. Ook komen
geheel gepleisterde gevels voor, waarbij de gevels (crème)wit zijn
en de trasramen donkergrijs of zwart. Soms verschilt de
materiaalkeuze tussen het woon- en het werkgedeelte. De vensters
worden beëindigd door een laag strekken, een segmentboog of een
rollaag. Status verwerkte men vaak in het uiterlijk van het
woongedeelte van de boerderij. Gevel- en raamindelingen, kozijnen,
deuren, en luiken en al of niet gedecoreerde windveren geven hier
nader vorm aan. Met name het bovenlicht (het raam boven de voordeur)
leende zich bij uitstek voor versieringen, zoals een levensboom. In
het algemeen zijn de windveren en kozijnen wit. Deuren hebben een
donkere kleur, evenals het schuurgedeelte. Hier was de gevel
oorspronkelijk van hout, maar die is in veel gevallen door bakstenen
vervangen. Het kleurgebruik van in het bijzonder de luiken vertonen
regionale kleurverschillen en op de landgoederen meerdere
kleurschakeringen.
Het erf van een hallenhuisboerderij is onder te verdelen in een
voor- en achtererf die (oorspronkelijk) sterk van karakter
verschillen. Het voorerf met zijn (moes)tuin en/of boomgaard was het
terrein van de boerin. Geschoren heggen en hagen beschermden het
voorerf tegen vee, terwijl leibomen als zonnescherm dienden. Nam de
rijkdom van de boer toe dan verhuisden moestuin en boomgaard naar de
zijkant van het erf en ontstond er ruimte voor een siertuin. Het
achtererf was het bedrijfsterrein van de boer en was integraal
verbonden met het omringende landschap. In de loop der tijd zijn
hier vaak verscheidene gebouwen verschenen. Veel boerderijen hebben
één of twee hooibergen met houten of betonnen staanders. Daarnaast
zijn er wagen- of veeschuren te vinden. Een enkele boerderij heeft
een apart bakhuis, boenhok of een zomerhuis, waar 's zomers het
wring- en karnhuis en een stalruimte voor jong vee en varkens werd
ondergebracht. Ook komt het voor dat een tweede bedrijfswoning op de
kavel is gebouwd.
Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid
Het hallenhuis is typerend voor de historische agrarische bebouwing
in Putten Veel panden zijn cultuurhistorisch waardevol en een aantal
is aangewezen als monument. Het hallenhuis staat echter onder druk
door de veranderingen in de landbouw. Een aantal ontwikkelingen is
te signaleren. Ten eerste is de bedrijfsvoering in de landbouw sterk
veranderd. Het (kleine) bedrijfsgedeelte van het hallenhuis voldoet
niet meer aan de eisen die moderne landbouwbedrijven stellen. Dit
heeft geleid tot de bouw van een nieuw bedrijfsgedeelte naast en/ of
achter de oude boerderij dat, wat schaal, materiaalgebruik en
detaillering betreft, vaak afwijkt van de oorspronkelijke agrarische
bebouwing. In het bedrijfsgedeelte van het hallenhuis vindt dan
alleen nog opslag plaats of er komt een woonfunctie. Een tweede
ontwikkeling is het verloren gaan van de agrarische functie.
Veelal krijgt de boerderij een volledige woonfunctie. Het is echter
ook mogelijk dat er combinaties van wonen en werken ontstaan of dat
er een nieuwe bedrijfsfunctie intrekt. Deze functionele verandering
brengt vaak ook bouwkundige veranderingen met zich mee, die niet
altijd passen bij het historische karakter. Aan de andere kant is er
nu ook meer informatie en aandacht voor de streekeigen identiteit
van boerderijen. Ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie worden in
toenemende mate gewaardeerd. Ook dat is een ontwikkeling.Nieuwe
toevoegingen aan een hallenhuisboerderij mogen een eigentijdse
uitstraling hebben, maar dienen in harmonie met het historische
bouwwerk te worden vormgegeven. Het welstandsbeleid is er op gericht
de belangrijkste karakteristieken van de hallenhuisboerderij te
beschermen. In dat kader kan niet voorbij worden gegaan aan de
plaatsing van de hoofd- en bijgebouwen op het erf en de inrichting
van het erf zelf. Boerderij en erf vormen samen één geheel met het
landschap. Voor de welstandsbeoordeling dienen boerderij en erf
daarom als een eenheid te worden gezien.
Objectcriteria
Algemeen
- De bouwwerken passen bij de hierboven beschreven karakteristiek,
wat betreft situering op de kavel, schaal en vormgeving van de
bouwmassa, indeling van de gevels en detaillering, kleur- en
materiaalgebruik.
- Bij verbouw dienen de oorspronkelijke kenmerken als
uitgangspunt.
Plaatsing
- De bestaande plaatsing van de hallenhuisboerderij wordt
gehandhaafd.
- In de directe nabijheid van de weg is de representatieve gevel
georiënteerd op de weg.
- Overige erfbebouwing staat achter de hallenhuisboerderij.
Massa en vorm
- Er worden ononderbroken, forse kappen toegepast, al dan niet met
wolfeinden.
- De dakgoten aan de zijkant bevinden zich onder of op gelijke
hoogte van de bovenkant van de kozijnen in de voorgevel.
- De gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige,
hiërarchische opbouw.
- De oorspronkelijke indeling naar woon- en bedrijfsgedeelte is
herkenbaar in de gevelopzet.
- De rechthoekige hoofdvorm wordt niet verstoord door aan- en
uitbouwen.
- Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden
terughoudend vormgegeven.
Detaillering, vorm en materiaal
- Gevels worden opgetrokken in roodachtige baksteen of zijn
(crème)wit gepleisterd.
- Het trasraam van het voorhuis is zwart of donkergrijs
gepleisterd.
- Kozijnen en ander houtwerk dienen in witte en/of donkere tinten te
worden geverfd.
- De kleuren van de luiken moeten aansluiten bij lokaal of regionaal
gebruik.
- Daken worden gedekt met riet of matte gebakken pannen of een
combinatie daarvan.
- Bij detaillering dient zorgvuldigheid te worden betracht.
- Kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd
op de hoofdmassa.
Voor de overige bebouwing van het erf bij de hallenhuisboerderij
wordt verwezen naar de objectcriteria voor agrarische
bedrijfsbebouwing.
Relatie met overige criteria
- Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
gebiedsbeschrijving en de -criteria.