De subsidieverlening kan, naast de in artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb genoemde gevallen worden geweigerd indien naar het oordeel van het college er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:
a. de activiteiten niet of niet geheel passen in het vastgestelde gemeentelijk beleid;
b. de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit die naar het oordeel van het college in strijd (kunnen) zijn met de wet, het algemeen belang, de openbare orde, de leefbaarheid en de veiligheid;
c. de aanvrager zelf in de kosten kan voorzien, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden of een combinatie daarvan, tenzij het college van oordeel is dat de activiteiten dermate in het gemeentelijk belang zijn dat van dit beleidsuitgangspunt kan worden afgeweken. Onder middelen van derden moeten ook worden verstaan het eigen vermogen en het batig saldo dat ontstaat door giften e.d. van gelieerde rechtspersonen, donateurs of andere geldschieters;
d. de activiteiten en voorzieningen strijdig zijn met de op grond van internationale verdragen algemeen erkende rechten van de mens;
e. de activiteiten, waarbij personen op grond van ras, godsdienst, geslacht, afkomst, seksuele voorkeur of anderszins worden gediscrimineerd. Deze bepaling geldt niet als de activiteit of voorziening is gericht op een specifieke doelgroep, dit met uitzondering van het onderscheid naar ras;
f. activiteiten die uitsluitend of in hoofdzaak dienstbaar zijn aan politieke of commerciële doeleinden;
g. activiteiten die door het college reeds anders dan op grond van deze verordening en/of bijbehorende beleidsregels worden gesubsidieerd of betaald/vergoed.