Naar hoofdinhoud
1.. Van de belasting zijn vrijgesteld de onroerende goederen: uitsluitend bestemd voor de uitoefening van de openbare eredienst; uitsluitend dienende als inrichting van onderwijs, voor zover een zodanige inrichting van overheidswege wordt gesubsidieerd of in stand gehouden; waarvoor reeds hetzij krachtens de bepalingen van de bouwverordening hetzij op andere wijze dan door middel van een belastingverordening een bijdrage in de kosten van aanleg van de in artikel 1 genoemde rioleringen aan de gemeente is betaald; welke krachtens een bestaande of te treffen gemeentelijke regeling, zoals: het vestigen van een bouwverbod, het vaststellen van rooilijnen of een bestemmingsplan of dergelijke voorzieningen niet voor bebouwing in aanmerking kunnen komen, zolang deze onbebouwd zijn; waarvan de gemeente of haar instellingen de genothebbenden zijn. die zijn aan te merken als schuren en waarvan de oppervlakte kleiner is dan 200 m2 of als hooi- en stro-opslag. 2.. De belasting wordt geheven te beginnen met het belastingjaar waarin een regeling als bedoeld onder sub d van het vorige lid wordt opgeheven; zij wordt niet meer geheven met ingang van het jaar volgend op dat, waarin een dergelijke regeling wordt getroffen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel