Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: a. de weigering van het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9, artikel 21 en artikel 28 te verlenen;b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9;c. de nadere regels door het bevoegd gezag verbonden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9, artikel 24, derde lid en artikel 28;d. een aanwijzing als bedoeld in artikel 27, tweede lid, tweede volzin.e. de veroorzaakte schade door een maatregel als bedoeld in artikel 57, tweede lid (Monumentenwet 1988).
Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel 49 van de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.