Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 18

Citeertitel

Onderdeel van Verordening Maatregelen IOAW en IOAZ

De verordening kan worden aangehaald als: "Verordening Maatregelen IOAW en IOAZ 2012”. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente IJsselstein, gehouden op 29 maart 2012. de griffier, de voorzitter, J.A.M. Kleene drs. P.C. van den Brink ALGEMENE TOELICHTING Met de inwerkingtreding van de Wet Bundeling uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet Buig) op 1 januari 2010 is een einde gekomen aan centrale regelgeving op het gebied van de verlaging van uitkeringen ingevolge de IOAW en IOAZ en het opleggen van bestuurlijke boetes bij fraude. Met de overheveling van de budgettaire verantwoordelijkheid is ook de beleidsverantwoordelijkheid voor het verlagen van de uitkering als gevolg van verwijtbaar gedrag overgeheveld naar de gemeente. De mogelijkheid van bestuurlijke boetes bij fraude is vervangen door de bevoegdheid om in verband hiermee de uitkering te verlagen. In verband met de wettelijke overgangstermijn dient de gemeente met ingang van 1 juli 2010 haar maatregelenbeleid in het kader van de IOAW en IOAZ te regelen in een wettelijk verplichte Maatregelenverordening IOAW en IOAZ. Deze verordening voorziet in deze wettelijke verplichting. Hoewel bij de beleidsinvulling zoveel mogelijk is aangesloten bij de Afstemmingsverordening WWB en WIJ, zijn er enkele kenmerkende verschillen. Zo kennen de IOAW en IOAZ geen vermogenstoets. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening, zoals we dat kennen in de WWB bij onder meer het onverantwoord interen van vermogen, bestaat binnen de IOAW en IOAZ niet. Voor zover al sprake is van een toets op verwijtbaar gedrag voorafgaande aan de uitkering, beperkt deze zich tot de vraag of de belanghebbende verwijtbaar werkloos is geworden. Daarnaast kennen de IOAW en IOAZ, in tegenstelling tot de WWB, een maatregel van onbeperkte duur. Deze kan aan de orde zijn indien de belanghebbende door het niet accepteren van arbeid langdurig eigen inkomen misloopt. De maatregel is in dat geval gelijk aan het netto inkomen dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging niet ontvangt. De WWB kent uitsluitend een procentuele verlaging van de bijstandsnorm. Uit de maatregel voor onbeperkte duur volgt ook dat de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ geen bepaling kent die een heroverweging van een maatregel langer dan 3 maanden vereist. Tot slot is “afstemming van bijstand” één van de kernbegrippen in de WWB. Binnen de IOAW en IOAZ wordt niet gesproken over afstemming van bijstand, maar over het weigeren van uitkering door middel van een verlaging. Deze verlaging krijgt vorm door middel van een maatregel, een term die ook binnen de WWB gebruikelijk is. Om die reden spreken we in verband met de IOAW en IOAZ niet over afstemming van de uitkering maar consequent over het opleggen van een maatregel. De maatregel op de IOAW en IOAZ als zodanig kan wel worden afgestemd op de gedraging, de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van persoon en gezin. In die zin is ook hier de maatwerkgedachte leidend.

Rechtspraak bij dit artikel