Er zijn diverse omstandigheden waarin moet worden afgezien van een maatregel. Deze spreken grotendeels voor zich.
Ten eerste kan een gedraging “verjaren”. In het algemeen is dit het geval als de gedraging langer dan één jaar voor de datum van constatering heeft plaatsgevonden. Wanneer de gedraging schending van de inlichtingenplicht betreft, waarbij bovendien sprake is van het ten onrechte ontvangen van bijstand, dan bedraagt deze periode vijf jaar.
Verder geldt ook binnen de IOAW/IOAZ het “Una via” beginsel. Er kan slechts via één weg een straf worden opgelegd. Wanneer na het doen van aangifte strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld in verband met valsheid in geschrifte, dan kan in verband met dezelfde gedraging niet tevens een maatregel worden opgelegd.
Verder schrijft de wet voor dat wordt afgezien van een maatregel als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Tot slot kan het college altijd van een maatregel afzien indien zij hiertoe dringende redenen aanwezig acht. Deze dringende redenen hebben uitsluitend betrekking op de wijze waarop een eventuele maatregel in de situatie van de persoon uitwerkt. Als de maatregel tot een, naar algemeen aanvaarde maatschappelijke maatstaven, onacceptabele situatie leidt, dan zal hierin een dringende reden kunnen worden gevonden om van de maatregel af te zien.
Hoofdstuk
Artikel 4
Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Verordening Maatregelen IOAW en IOAZ