De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in drie categorieën onderscheiden. Dit in tegenstellling tot de Afstemmingsverordening WWB, waarbij sprake is van vier categorieën. De zwaarste gedraging in de WWB (verwijtbare werkloosheid) is hier afgezonderd van de eerste drie categorieën, omdat het verliezen of niet aanvaarden van arbeid een andersoortige maatregel tot gevolg heeft. In plaats van een percentage is de maatregel in dat geval gebaseerd op het netto verlies aan inkomen. Dit is in de afzonderlijke artikelen 10 en 11 uitgewerkt.
De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij UWV WERKbedrijf en ingeschreven te doen blijven.
De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt waaronder de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren. Bij toekenning van de uitkering of in een later stadium kan aan de belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de aard van de aan te bieden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. In onderdeel c is de maatregel wegens het niet meewerken aan de wettelijke tegenprestatie opgenomen. Onderdeel d regelt de maatregel ingeval de alleenstaande ouder onvoldoende meewerkt aan het plan van aanpak gericht op re-integratie, en als gevolg daarvan de ontheffing is ingetrokken.
In de derde categorie gaat het om gedragingen die het aanvaarden van arbeid belemmeren. Het betreft hier niet de directe weigering van aangeboden arbeid (daarvoor zijn de artikelen 10 en 11 relevant), maar gedragingen die er indirect toe leiden dat de arbeidsinschakeling wordt belemmerd. Hieronder valt ook het geen gebruik maken van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.