Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 8

Inwerkingtreding

Onderdeel van Toeslagenverordening WWB gemeente Oss 2012

De Toeslagenverordening WWB 2009, laatstelijk gewijzigd vastgesteld in de vergadering van 9 februari 2012, en de Toeslagenverordening WIJ gemeente Oss, vastgesteld in de vergadering van 20 mei 2010 vervallen bij inwerkingtreding van deze verordening, met dien verstande dat deze tot 1 juli 2012 van toepassing blijven voor de personen die op 31 december 2011 recht hebben op algemene bijstand of een inkomensvoorziening. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2012, behoudens situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de belanghebbende. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 mei 2012, De griffier, De voorzitter, Drs. P.H.A. van den Akker Drs. W.J.L. Buijs-Glaudemans Algemene toelichting bij de Toeslagenverordening Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 3 in de artikelen 20 tot en met 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen. Dit is geregeld in de artikelen 25 tot en met 29 WWB. Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden. Voor bijstandsgerechtigden ouder dan 21 jaar doch jonger dan 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen (artikel 21 WWB), te weten: Gezin 100% van het netto wettelijk minimumloon (= de gezinsnorm) Alleenstaande ouders 70% van de gezinsnorm Alleenstaanden 50% van de gezinsnorm Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar ook krant etc. gedeeld worden. De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gezinsnorm, zodat de uitkering maximaal bedraagt voor: Alleenstaande ouders 90% van de gezinsnorm Alleenstaanden 70% van de gezinsnorm De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. De verlagingen zijn geregeld in de artikelen 4 en 5 van de verordening. De verlaging wordt toegepast in de volgende situaties: Verlaging bij een gezin in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander. Verlaging in verband met de woonsituatie In deze verordening is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de WWB biedt om: De norm lager vast te stellen in geval van recentelijk beëindigen van studie (artikel 28 WWB). De toeslag lager vast te stellen voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar (artikel 29 WWB). Ad A. Door aanscherping van de eisen voor jongeren in de WWB zal de instroom beperkt zijn. Indien in voorkomende gevallen toch een beroep op de bijstand moet worden gedaan dan valt niet in te zien dat de (alleenstaande) schoolverlater gedurende de eerste 6 maanden van de uitkeringsduur lagere kosten heeft dan een andere uitkeringsgerechtigde. Ad B. De wet biedt de mogelijkheid de toeslag van 21- en 22-jarige alleenstaanden te verlagen indien de hoogte van de toeslag een belemmering vormt voor de aanvaarding van arbeid. De verordening geldt niet voor de bij hun ouders inwonende kinderen van 21 en 22 jaar, omdat die immers tot het gezin behoren. Voor de alleenstaande jongere van 21 en 22 jaar ligt het nettominimumloon boven de bijstandsnorm met maximale toeslag. Een financiële prikkel om te gaan werken blijft dus aanwezig en geeft derhalve geen aanleiding een verlaging op de toeslag toe te passen. Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand aanpast. Artikelsgewijze toelichting

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel