Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Toeslagenverordening WWB gemeente Oss 2012

1.. Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening. De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gezinsnorm bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere gronden). 2.. Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor 10 procent van de gezinsnorm. Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze schaalvoordelen worden berekend op 10%. Indien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt de toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% de gezinsnorm. Het aantal personen die  kosten kunnen delen is niet van invloed op de hoogte van de toeslag. 3.. Een toeslag van 20% is eveneens mogelijk voor onderhuurders, kamerbewoners en kostgangers indien een commerciële prijs is verschuldigd. Boven een bepaalde grens aan woonkosten wordt verondersteld dat men niet of nauwelijks kosten kan delen. Als men al kosten kan delen dan wordt er van uitgegaan dat die dermate laag zijn dat een toeslag van 20% gerechtvaardigd is. Kostgangers betalen zowel voor kost als inwoning. Veelal is er sprake van een all-in prijs. Om een zuiver beeld te verkrijgen van de woonkosten wordt een correctie toegepast. Die bestaat uit een aftrek op het verschuldigde kostgeld ter hoogte van de voedingskosten volgens de normen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Voor woonkosten hanteert het Nibud eveneens normenbedragen. Die komen op maandbasis overeen met 15% van de gezinsnorm. Om die reden wordt bij de bepaling van de commerciële prijs daarbij aangesloten. 4.. Zie 3. 5.. Voor de toepassing van dit artikel worden niet alle personen aangemerkt als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. In het kader van deze verordening gaat het daarbij om inwonende studerende kinderen (a), inwonende kinderen met een inkomen boven een bepaalde grens (b) en een zorgbehoevend gezinslid (c): In deze verordening is er voor gekozen te bepalen dat in het geheel geen kosten kunnen worden gedeeld met een inwonend studerend kind. Dit betekent dat de gemeenteraad geen gebruik maakt van de theoretische mogelijkheid een lagere toeslag te verstrekken aan een alleenstaande ouder met een inwonend studerend kind van 18 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen tussen het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 en de inkomensgrens als bedoeld in artikel 4, tweede lid van de wet. Een alleenstaande met een inwonend studerend kind komt daarmee in aanmerking voor een toeslag van 20% van de gezinsnorm. Met deze keuze wordt een inconsequent systeem voorkomen, met name wanneer het inwonend studerend kind weinig meer verdient dan de bedoelde inkomensgrens.In dat geval zou immers ook geen verlaging worden toegepast omdat hij een niet-rechthebbend gezinslid is. Omdat inwonende kinderen (ook meerderjarige) in beginsel tot het gezin behoren heeft de Toeslagenverordening op deze groep geen functie. In uitzonderingssituaties kan echter een inwonend kind toch niet tot het gezin behoren. Afgezien van het studerende kind van artikel 3 lid 5 onder a (hierboven) kan een inwonend kind bijvoorbeeld zorgbehoevend zijn als bedoeld in artikel 4 vijfde lid van de wet. Hoewel niet tot het gezin gerekend, kan er wel sprake zijn van het kunnen delen van kosten. Als inkomensgrens wordt daarbij genomen het normbedrag voor levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. Komt het inkomen daarboven dan wordt het kind geacht kosten te kunnen delen. Het gestelde in artikel 3 lid 2 van deze verordening is dan van toepassing. Ingeval van een gezin is dat de verlaging op grond van artikel 4, lid 2 van deze verordening. In onderdeel c van het vijfde lid wordt geregeld dat een zorgbehoevend gezinslid eveneens niet worden meegeteld als personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbenden vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. Dat zou het opvangen van zorgbehoevende gezinsleden ontmoedigen. Om die reden geldt de uitzondering niet voor de zorgbehoevende voor het geval deze zelf een beroep moet doen op bijstand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel