**1..** Het bevoegd gezag weigert de vergunning indien de vestiging en/of de
exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend
bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of met een
leefmilieuverordening.
**2..** Het bevoegd gezag weigert de vergunning indien niet voldaan wordt
aan de in artikel C.A.4 gestelde eisen.
**3..** Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren indien naar zijn
oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde
wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de
inrichting nadeling wordt beinvloed.
**4..** Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond
houdt het bevoegd gezag rekening met:
het karakter van de straat en van de wijk waarin de
inrichting is gelegen of zal komen te liggen;
de aard van de inrichting;
de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie
van de inrichting;
de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;
de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de
inrichting in deze of in andere inrichtingen;
de wijze van exploitatie van de inrichting in het
verleden.
**5..** Een vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de
voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
**6..** Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het Bureau
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur,
bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies
als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel C.A.9 Weigeringsgronden
Artikel C.A.9 Weigeringsgronden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2005