Met inachtneming van het in het derde en vierde lid
bepaalde vindt aan de school afvloeiing plaats in de
volgende volgorde:
eerst de belanghebbende met een tijdelijke aanstelling,
met uitzondering van de tijdelijk aangestelde ter
vervanging;
vervolgens de belanghebbende met een vaste
aanstelling.
Binnen elke groepering genoemd in het eerste lid wordt
de hiernavolgende volgorde aangehouden:
eerst degene die aan het bevoegd gezag schriftelijk te
kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen afvloeiing te
hebben, waarbij de oudste in leeftijd het eerst in
aanmerking komt;
vervolgens degene die de minste diensttijd heeft,
waarbij in geval van gelijke diensttijd de jongste in
leeftijd het eerst in aanmerking komt.
De directeur van een school voor basis, speciaal of
voortgezet speciaal onderwijs vloeit slechts af bij de
opheffing van de school.
De belanghebbende die op grond van de eerste twee leden
van dit artikel voor afvloeiing in aanmerking komt en
die de laatste aan de basisschool verbonden
groepsleerkracht is, in het bezit van de akte leidster
of hoofdleidster bij het kleuteronderwijs of een hiermee
gelijkgestelde akte, wordt tot 31 juli 1992 voor ontslag
overgeslagen.
Artikel 2