1.. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken indien:

  • - lijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend;
  • - blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorschrift van de vergunning;
  • - van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden;
  • - van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt;
  • - het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorschriften.