De toeslag bedraagt:
20 procent van de gezinsnorm voor een belanghebbende in
wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;
10 procent van de gezinsnorm voor een belanghebbende die met
één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
heeft.
Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld
met:
een inwonend studerend kind dat aanspraak kan maken op
studiefinanciering of een tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en schoolkosten;
een verzorgingsbehoevend gezinslid dat niet als gezinslid
wordt aangemerkt zoals bedoeld in artikel 4 lid 5 van de
wet.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
alleenstaande van 21 of 22 jaar nul procent (0%).