De burgemeester kan de vergunning intrekken:
indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
onvolledige opgave is verleend;
indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de
vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie
is ontstaan als bedoeld in artikel 14, onder e;
indien gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden
voorschriften en beperkingen;
indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode
van langer dan zes maanden wordt onderbroken;
indien aannemelijk is, dat de ondernemer of de beheerder(s)
betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten
bij activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal, die een
gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging
vormen van het woon- of leefklimaat in de omgeving van de
speelautomatenhal;
indien de ondernemer of beheerder(s) van de speelautomatenhal
strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of
gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
gepleegd;
indien de ondernemer of de beheerder(s) zich schuldig maakt aan
discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;
indien zich in de speelautomatenhal anderszins feiten hebben
voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van
de speelautomatenhal ernstig gevaar oplevert voor de openbare
orde.
Hoofdstuk
Artikel 15:
Intrekking vergunning.
Onderdeel van Verordening op de speelautomaten en speelautomatenhallen 2003