De subsidie kan naast de in de artikelen 4:25 en 4:35 van de wet genoemde gevallen geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat:
de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan inwoners van de gemeente;
de activiteiten georganiseerd worden voor het bereiken van partijpolitieke of religieuze doelen;
de gelden niet of in onvoldoende mate besteed worden aan de activiteiten of voor het doel waarvoor de subsidie wordt verleend;
de aanvrager ook zonder subsidieverlening over voldoende gelden, hetzij uit eigen
middelen, hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de kosten van de
activiteiten te dekken;
de activiteiten, zoals blijkt uit de ingediende begroting, een onvoldoende betrouwbare financiële basis hebben;
de activiteiten van de aanvrager niet passen binnen het beleid van de gemeente;
de activiteiten in enig opzicht strijdig zijn met vigerende wetgeving, het algemeen belang of de openbare orde;
de activiteiten in enig opzicht strijdig zijn met internationale verdragen of algemeen erkende rechten van de mens;
het voornemen tot subsidieverlening met het oog op artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag is aangemeld bij de Europese Commissie en daarop de goedkeuring hiervoor van de Europese Commissie niet is verkregen.
Het college kan nadere weigeringsgronden vaststellen.
Naast de in artikel 4:50 van de wet genoemde gevallen kan de subsidie worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd op grond van de in het eerste lid, onder a tot en met i genoemde gevallen.