1. Onder de naam “roerende-ruimtenbelastingen” worden ter zake van binnen de
gemeente gelegen ruimten twee directe belastingen geheven:
a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
kalenderjaar een bedrijfsruimte al dan niet krachtens eigendom, bezit,
beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;
b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
recht.
2. Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt:
a. gebruik door degene aan wie een deel van een ruimte in gebruik is
gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft
gegeven;
b. het ter beschikking stellen van een ruimte voor volgtijdig gebruik
aangemerkt als degene door degene die de ruimte ter beschikking heeft
gesteld.
3. Degene die een in het vorige lid, onder b. bedoelde deel of een onder c.
bedoelde ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als
zodanig te verhalen op degene aan wie die ruimte of deel daarvan ter
beschikking is gesteld.
Artikel 2
Belastingplicht
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2012