Naar hoofdinhoud
In deze verordening worden de begrippen alleenstaande, alleenstaande ouder, ten laste komend kind, echtpaar en gezamenlijke huishouding gebruikt zoals deze golden in de Wet werk en bijstand op 31 december 2011. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: a. minima: meerderjarige inwoners die beschikken over een inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm en een vermogen tot de toepasselijke vermogensgrens; b. toepasselijke bijstandsnorm: het normbedrag volgens de Wet werk en bijstand na toepassing van de toeslagen en verlagingen volgens de geldende toeslagenverordening waarbij geldt i. voor een alleenstaande als bedoeld in het eerste lid: de norm genoemd in artikel 20 lid 1 WWB; ii. voor een alleenstaande ouder als bedoeld in het eerste lid: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 20 lid 2 WWB; iii. voor een echtpaar of gezamenlijke huishouding: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21 lid 1 WWB. c. toepasselijke vermogensgrens: i. voor een alleenstaande als bedoeld in het eerste lid: de vermogensgrens genoemd in artikel 34 lid 3 onder a WWB; ii. voor een alleenstaande ouder: de vermogensgrens genoemd in artikel 34 lid 3 onder b WWB; iii. voor een echtpaar of gezamenlijke huishouding: de vermogensgrens genoemd in artikel 34 lid 3 onder c WWB. d. welzijnsactiviteiten: activiteiten op het gebied van cultuur, sport, recreatie, vorming en educatie die in een beleidsregel van het college zijn vastgelegd; e. bijdrage: een financiële bijdrage ingevolge de regeling bedoeld in deze verordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel