1.Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:
deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen als genoemd in artikel 1c op te heffen of te verminderen;
in afwijking op a. geldt langdurig noodzakelijk niet voor hulp bij het huishouden die wel voor korte duur kan worden geïndiceerd;
deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;
deze in overwegende mate op het individu is gericht.
In afwijking op hetgeen in het eerste lid onder d. is gesteld, kan een voorziening worden verstrekt in de vorm van het gebruik van een collectief vervoersysteem als bedoeld in artikel 23 onder d.
Geen voorziening wordt toegekend:
indien de voorziening voor een persoon als de persoon met beperkingen algemeen gebruikelijk is;
indien de persoon met beperkingen niet woonachtig is in de gemeente Zwartewaterland;
voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;
voor zover er aan de zijde van de persoon met beperkingen geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;
voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de persoon met beperkingen voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt;
indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen persoon met beperkingen is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de persoon met beperkingen zijn toe te rekenen.
Hoofdstuk 1
Artikel 2
Het recht op een voorziening
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010