Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 20, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 20, onder a., onmogelijk maken dan wel
een collectief systeem als bedoeld in artikel 20, onder a., niet aanwezig is.
Hoofdstuk 5.
Artikel 22.
Het primaat van het collectief vervoer.
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2007