Indien bij een op grond van mandaat te nemen besluit er rekening mee moet worden gehouden dat de burgemeester dan wel het college van burgemeester en wethouders op zijn verantwoordelijkheid voor het te nemen besluit zal worden aangesproken, legt degene die bevoegd is de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen de zaak vooraf voor aan respectievelijk de burgemeester dan wel de betrokken portefeuillehouder. Indien het een bevoegdheid van burgemeester en wethouders betreft en de portefeuillehouder dat nodig acht, wordt deze zaak ter verdere besluitvorming voorgelegd aan burgemeester en wethouders.
Ook indien niet is gehandeld overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, geldt een krachtens mandaat genomen besluit rechtens als een besluit van het desbetreffende bestuursorgaan.