Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Veiligheid

Onderdeel van Nadere regels peuterspeelzalen/kindercentra

a.. Buitendeuren en -vensters zijn zodanig beveiligd, dat kinderen niet ongemerkt de peuterspeelzaal kunnen verlaten en onbevoegden niet ongemerkt kunnen binnentreden. b.. Wandcontactdozen dienen afgeschermd te zijn of boven 1,50 meter te zijn aangebracht. c.. Alle daarvoor in aanmerking komende elektrische apparaten, waaronder verwarmingsapparaten, dienen geaard- en zodanig te zijn opgesteld en uitgevoerd, dat de kinderen zich daaraan niet kunnen verwonden en de bedieningsorganen niet kunnen bereiken. d.. De houder dient te beschikken over een gebruiksvergunning. e.. Een brandblusapparaat moet in elk kindercentrum aanwezig zijn en één keer per jaar gecontroleerd te worden op geschiktheid. f.. Tussen de leidsters dient een taakverdeling gemaakt te worden over wie wat doet in geval van brand. g.. Ruiten beneden 1,20 meter dienen te zijn vervaardigd van veiligheidsglas volgens NEN 3569, tenzij de GGD anders adviseert op grond van risico-inschatting. h.. Voorwerpen en vloeistoffen die gevaar voor kinderen kunnen opleveren (schoonmaakartikelen, medicamenten,elektrische apparaten, servies, bestek, ed.) moeten buiten bereik van kinderen worden opgeborgen. i.. In de peuterspeelzaal is een telefoon aanwezig. In de onmiddellijke nabijheid daarvan bevinden zich het algemeen alarmnummer en het telefoonnummer van de huisarts. j.. In de peuterspeelzaal is een volledig uitgeruste EHBO-trommel aanwezig. k.. In de peuterspeelzaal is ten minste één functionaris aanwezig die in bezit is van een geldig bedrijfshulpverleningscertificaat.

Rechtspraak bij dit artikel