**6.1.** Dossiervorming
De burgemeester baseert een bevel in de zin van art. 172a of 172b Gemeentewet op een gedocumenteerd dossier. Het dossier beargumenteert de noodzaak van het opleggen van het bevel boven andere interventiemogelijkheden.
Dossiervorming vindt plaats onder regie van de burgemeester. De Veiligheidsregio, het Lokaal Overlast Netwerk en het CJG spelen een belangrijke rol. (informatieknooppunt vormt voor diverse partners op het gebied van veiligheid en zorg zoals de gemeente, politie, Openbaar Ministerie, reclassering en Bureau Jeugdzorg etc.)
Het dossier dat ten grondslag ligt aan de bevelen van art. 172a en 172b Gemeentewet dient onder andere te bevatten:
De contactgegevens van de behandelend politieambtenaar, zorginstantie en/of andere instanties die betrokken zijn bij de overlastgever;
De contactgegevens van de ordeverstoorder waaronder tenminste naam, leeftijd, woonplaats (adres) en telefoonnummer en indien van toepassing de gegevens van de persoon die het gezag over de minderjarige uitoefent;
De registraties van de ordeverstorende gedragingen die leiden tot het opleggen van de maatregel;
De onderliggende processen-verbaal en registraties van alle bij de politie bekend zijnde gedragingen van de betrokkene over een redelijke periode. Dit heeft tot doel inzicht te krijgen in de gedragingen van de e betrokkene en dient tevens als onderbouwing van het afgegeven bevel;
Traject wat al doorlopen is met de betreffende groep en/of persoon, dat wil zeggen interventies en het effect daarvan (hulpverleningstrajecten, waarschuwingen etc.). Dit onderdeel is een vereiste indien het gaat om 12 minners.
Bij een eventuele meldingsplicht gegevens van de locatie waar de persoon zich moet melden;
Indien er sprake is van een meldingsplicht in een andere gemeente, de toestemming van de burgemeester van de betreffende gemeente;
Indien er sprake is van een verzoek tot verlenging van de maatregelen, de registraties waaruit de hernieuwde vrees voor verstoring van de openbare orde blijkt.
**6.2.** Verzoek aan de burgemeester
Indien de partners betrokken bij een casus van mening zijn dat aan een bepaalde persoon een bevel als bedoeld in deze beleidsregel moet worden opgelegd, dan doen zij daartoe een verzoek aan de burgemeester. Bij dit verzoek voegen zij bovengenoemd dossier.
Daarnaast wordt in het verzoek in ieder geval aangegeven:
Waarom de burgemeester gevraagd wordt van zijn bevoegdheid gebruik te maken (en niet bijvoorbeeld de officier van justitie);
Welke bevoegdheid gevraagd wordt in te zetten;
Een duidelijke omschrijving van het gebied waarvoor de maatregel moet worden opgelegd.
**6.3.** Uitreiken voornemen tot opleggen bevel
Op basis van het aangeleverde dossier beslist de burgemeester of hij van mening is dat de betrokkene in aanmerking komt voor één van de bevelen genoemd in art. 172a of 172b van de Gemeentewet. Zo ja, dan wordt in principe allereerst een voornemen tot het opleggen van het bevel uitgereikt.
Het voornemen wordt per aangetekende post naar het huisadres van betrokkene gezonden of indien mogelijk door de politie (bij voorkeur wijkagent) in persoon aan de geadresseerde van het besluit uitgereikt. Dit vergt goede afstemming. Ook dit is maatwerk. (in het geval van uitreiking door de politie legt de politie deze handeling vast in het politiesysteem)
In het voornemen wordt vermeld:
Door welke gedragingen en op welke tijdstippen en plaatsen de betrokken persoon herhaaldelijk (groepsgewijs) de openbare orde heeft verstoord dan wel op grond van welke gedragingen de burgemeester tot het oordeel is gekomen dat betrokkene daarbij een leidende rol heeft gehad;
Indien het gaat om een gebieds- of groepsverbod, de afbakening van het gebied waarvoor de burgemeester voornemens is een bevel op te leggen;
De voorgenomen ingangsdatum en duur van het bevel;
Op welke wijze de betrokkene kan reageren op het voornemen.
Indien de betrokkene op het moment van het plegen van het strafbare feit in de voorgaande zes maanden ook al een bevel op grond van art. 172 a en/of b heeft gehad dan wordt opnieuw een voornemen opgelegd en niet direct overgegaan tot het opleggen van een nieuw bevel.
**6.4.** Zienswijze
Betrokkene kan binnen vijf werkdagen na het uitreiken van het voornemen of vijf werkdagen na aangetekende verzending tot het opleggen van een gebiedsverbod, groepsverbod en/of meldingsplicht zijn zienswijze schriftelijk aan de burgemeester kenbaar maken.
**6.5.** Opleggen bevel
Een bevel als bedoeld in art. 172a en b Gemeentewet wordt opgelegd na:
het ontvangen van de schriftelijke zienswijze;
afloop van de zienswijzentermijn als betrokkene geen zienswijze heeft ingediend.
Het bevel wordt per aangetekende post verstuurd of door de politie in persoon uitgereikt (indien mogelijk). De geadresseerde van het besluit wordt gewezen op de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen tegen het definitieve besluit.
Ook als de burgemeester besluit om uiteindelijk geen gebieds- of groepsverbod op te leggen, ontvangt de betreffende persoon daarvan schriftelijk bericht.
In de definitieve beschikking is opgenomen:
Door welke gedragingen en op welke tijdstippen en plaatsen de betrokken persoon herhaaldelijk groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord dan wel op grond van welke gedragingen de burgemeester tot het oordeel is gekomen dat betrokkene daarbij een leidende rol heeft gehad;
Een concrete aanduiding van de objecten in of in de omgeving waarvan deze persoon zich niet mag bevinden dan wel van het gedeelte of bepaalde delen van de gemeente waar deze persoon zich niet (al dan niet in groepsverband) mag bevinden;
De ingangsdatum en duur van het bevel;
Reactie op de ingediende zienswijze (indien van toepassing);
Waarom de maatregel in het concrete geval noodzakelijk is (motivering).
Een afschrift van het besluit van de burgemeester wordt gezonden aan de teamchef van politieteam Epe-Heerde-Hattem, de officier van justitie, de Veiligheidskamer Apeldoorn en de coördinator van het Lokale Overlast Netwerk.
**6.6.** Specifieke bepalingen voor bevelen met betrekking tot 12 minners
Indien aan de voorwaarden van 1.3 is voldaan, dan wordt de volgende werkwijze gehanteerd:
Indien in de voorgaande zes maanden nog geen bevel is gegeven op grond van art. 172b dan wordt aan het ouderlijk gezag van de minderjarige een bevel opgelegd waarbij de minderjarige zich gedurende een periode van drie maanden niet tussen 20.00 uur en 06.00 uur mag begeven op voor het publiek toegankelijke plaatsen zonder begeleiding van het ouderlijk gezag.
Indien de minderjarige gedurende de looptijd van een art. 172b bevel of binnen zes maanden na het verstrijken van een dergelijk bevel opnieuw overlastgevend gedrag vertoont dan zal opnieuw een maatregel worden opgelegd. In dat geval zal aan de persoon die het gezag over de minderjarige uitoefent:
Het bevel worden gegeven dat de minderjarige in een nader aan te wijzen gebied zich niet mag ophouden zonder begeleiding van de persoon die gezag over hem heeft, en
Het bevel worden gegeven dat de minderjarige tussen 20.00 uur en 06.00 uur niet zonder begeleiding mag komen op voor het publiek toegankelijke plaatsen.
De hierboven in 1.6 genoemde regels omtrent de werkwijze bij het opleggen van bevelen gelden ook voor bevelen met betrekking tot 12 minners, met dien verstande dat deze bevelen worden opgelegd aan de personen die het gezag uitoefenen over de minderjarige (hierna gemakshalve ouders/voogden genoemd).
Dit betekent dat:
het voornemen en het bevel worden geadresseerd en uitgereikt aan de ouders/voogden;
de ouders/voogden de gelegenheid krijgen hun zienswijze kenbaar te maken;
de ouders/voogden bezwaar en beroep kunnen aantekenen tegen een definitieve beschikking.