Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 26

Verbodsbepalingen

Onderdeel van VERORDENING op de Binnenwateren voor de gemeente Den Haag

1.. Het is de schipper verboden: op een gemeerd schip, een zeil te voeren; een ander schip, met uitzondering van een kano, open roeiboot en schepen korter dan zes meter te slepen danwel op andere wijze gekoppeld te varen; van een schip dat aan de grond zit de voorstuwer in werking te hebben; een woon-of bedrijfsschip te ballasten; met enig middel naar zich onder het wateroppervlak bevindende voorwerpen met uitzondering van eigen voorwerpen te zoeken of te dreggen; een schip anders vast te maken dan aan daartoe bestemde meermiddelen of andere door burgemeester en wethouders goedgekeurde voorziening; schepen naast elkaar af te meren indien dit volgens het ter plaatse geldende ligplaatsenplan niet mogelijk is; twee woon-en of bedrijfsschepen of meer dan twee andere schepen naast elkaar af te meren of te doen afmeren. recreatievaartuigen welke in de binnenwateren worden gehouden, af te meren dan wel te gebruiken zonder dat zij zijn voorzien van een op het vaartuig duidelijk zichtbaar aangebracht geldig en juist vignet dat voor dat vaartuig op grond van de Verordening Binnenhavenbelasting 2008van gemeentewege is verstrekt. 2.. Het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a. tot en met f. gelden niet voor de schipper van een woonschip die daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan burgemeester en wethouders doet. Deze melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard van het voorgenomen handelen.

Rechtspraak bij dit artikel