Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten 2008

1 Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd. 2 Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 3 Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 4 De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd. 5 Wanneer de watertoevoer in de loop van een verbruiksjaar aanvangt of eindigt en indien de watertoevoer plaatsvindt via één centrale watermeter ten behoeve van meerdere zelfstandige gebruikers, wordt het aantal kubieke meters water op verbruiksjaarbasis vastgesteld. 6 Indien voor een eigendom op grond van voorgaande bepalingen geen hoeveelheid afvalwater bepaald kan worden, wordt deze gesteld op het gemiddelde van een vergelijkbaar eigendom binnen de gemeente voor het betreffende belastingjaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel