Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 Niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 10 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor deinkomensvoorziening

Artikel 10 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor deinkomensvoorziening

Onderdeel van Maatregelverordening Wet investeren in jongeren gemeente Arnhem.

1.. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 44,eerste lid van de wet of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuuruitvoeringsorganisatie werk en inkomen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoogbedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een maatregel opgelegd, welke wordtafgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2.. Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid wordt de maatregel op de volgende wijzevastgesteld: a. bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,--: 10% van het bedrag van deinkomensvoorziening gedurende een maand; b. bij een benadelingsbedrag van € 1.000,-- tot € 2.000,--: 20% van het bedrag van deinkomensvoorziening gedurende een maand; c. bij een benadelingsbedrag van € 2.000,-- tot € 4.000,--: 40% van het bedrag van deinkomensvoorziening gedurende een maand; d. bij een benadelingsbedrag van € 4.000,-- of meer: 50% van het bedrag van deinkomensvoorziening gedurende een maand. 3.. In afwijking van het eerste lid wordt van het opleggen van een maatregel afgezien: a. zolang de maatregelwaardige gedraging in het kader van een strafrechtelijk onderzoekwordt onderzocht; b. zodra ter zake van de gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek terterechtzitting een aanvang heeft genomen; c. zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar Ministerie eenschikking met belanghebbende heeft getroffen. 4.. De duur van de maatregel wordt met een maand verlengd, indien binnen twaalf maanden nabekendmaking van een eerder besluit waarbij een maatregel, als bedoeld in het eerste lid, isopgelegd, sprake is van een zelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. 5.. Met een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien vanhet opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 4,tweede lid. 6.. In afwijking van het vierde lid wordt een maatregel opgelegd voor de duur van drie maanden,indien in de 60 maanden voorafgaande aan het maatregelwaardige gedrag sprake is vantwee of meer als verwijtbaar aan te merken gedragingen, als bedoeld in het eerste lid. 7.. Bij de bepaling van de hoogte van de in het zesde lid bedoelde maatregel worden debenadelingsbedragen in verband met de schending van de inlichtingenplicht van de laatste60 maanden samengevoegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel