**1..** De commissie kan omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van stukken, welke aan de commissie zijn of worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Zij wordt zowel door haar leden, dan wel de in artikel 44, eerste lid bedoelde plaatsvervangers, die bij de behandeling tegenwoordig zijn, als door de overige raadsleden, die op andere wijze van het behandelde en van de stukken kennis nemen, in acht genomen totdat de raad haar opheft.
**2..** De geheimhouding geldt niet ten opzichte van de overige leden van de raad, tenzij de commissie ter vergadering uitdrukkelijk anders bepaalt. De leden van de raad, die zijn ingelicht over het in de vergadering behandelde of over de inhoud van de aan de commissie overgelegde stukken, waaromtrent geheimhouding is opgelegd, nemen eveneens daaromtrent geheimhouding in acht.
**3..** De verplichting tot geheimhouding geldt mede voor de leden van het college die de vergadering van een commissie bijwonen, met dien verstande dat deze ten opzichte van de overige leden van het college niet aan de geheimhouding zijn gebonden. Het bepaalde in de tweede volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
**4..** De voorzitter kan omtrent de inhoud van de stukken, als hiervoor bedoeld, voorlopige geheimhouding opleggen. Hij geeft daarvan bij de toezending of overhandiging van de stukken kennis aan de leden van de commissie. De voorlopige geheimhouding vervalt wanneer zij niet in de eerstvolgende vergadering door de commissie wordt bekrachtigd.
Hoofdstuk 7
Artikel 46
Geheimhouding
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad