Nadat de beraadslaging is gesloten of indien niemand het woord
verlangt, brengt de voorzitter het voorstel tot besluitvorming.
De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen
stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet nodig
oordeelt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder
hoofdelijke stemming is aangenomen.
In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in de
besluitenlijst vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
tegengestemd of zich van stemming te hebben onthouden.
Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, of de
voorzitter dit nodig oordeelt, doet de voorzitter daarvan
mededeling.
De griffier roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te
brengen. De stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig
artikel 14 is aangewezen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar de
volgorde van de presentielijst.
Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat
zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht
zijn stem uit te brengen.
De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit
te spreken, zonder enige toevoeging.
Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan
hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid gestemd
heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat
de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel
aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de
stemming brengt dit echter geen verandering.
De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met
vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij
doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3
Artikel 26
Algemene bepalingen over stemming
Onderdeel van Reglement orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad 2010