In verband met het bepaalde in artikel 6:4:5, tweede lid van de AGV worden ter bepaling van de hoogte van de raadsvergoeding c.q. wethouderswedde per uur de volgende normen in acht genomen.
Voor raadsleden:
in gemeenten tot 30.000 inwoners:
aan het raadslidmaatschap te besteden tijdsduur: 7 uur per week;
in gemeenten van 30.000 tot 100.000 inwoners:
aan het raadslidmaatschap te besteden tijdsduur: 12 uur per week;
in gemeenten van meer dan 100.000 inwoners:
aan het raadslidmaatschap te besteden tijdsduur: 24 uur per week.
Voor wethouders:
In gemeenten tot 2000 Inwoners:
aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 16 uur per week;
In gemeenten tot 4000 Inwoners:
aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 20 uur per week;
in gemeenten tot 8000 inwoners:
aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 24 uur per week;
in gemeenten tot 14.000 inwoners:
aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 28 uur per week;
in gemeenten tot 18.000 inwoners:
aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 32 uur per week;
In een gemeente met 18.000 of meer inwoners wordt het wethouderschap als regel als een volledige dagtaak beschouwd.
Met betrekking tot het lidmaatschap van Provinciale Staten zal voor de berekening van de inhouding de taakduur van geval tot geval worden geschat.
Indien de vergoeding per uur als lid van het publiekrechtelijk college meer bedraagt dan het uurloon als ambtenaar, wordt in geval van verlof tijdens diensttijd het uurloon als ambtenaar ingehouden. Indien de vergoeding per uur als lid van het publiekrechtelijk college minder bedraagt dan het uurloon als ambtenaar, wordt in geval van verlof tijdens diensttijd een inhouding toegepast ter hoogte van de eerstgenoemde vergoeding.