In deze regeling wordt verstaan onder:
beoordeelde:de medewerker, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, sub a, van de AGV;
1e beoordelaar:de direct-leidinggevende (in hiërarchische zin) van de beoordeelde;
2e beoordelaar:de leidinggevende van de 1e beoordelaar;
afdelingsleiding:hoofd van de afdeling;
functie:het geheel van werkzaamheden waarmede de beoordeelde gedurende het te bespreken/beoordelen tijdvak in feite was belast;
functie-eisen:de voor een voldoende vervulling van de functie bekend gemaakte geldende normen;
informant:degene die aangewezen is om nadere informatie te verstrekken over de functie-uitoefening door de beoordeelde.
Ten minste eenmaal per jaar vindt een functionerings- / ontwikkelingsgesprek plaats tussen de medewerker (beoordeelde) en de direct-leidinggevende (1e beoordelaar). De direct-leidinggevende en de medewerker hebben een gelijkwaardige positie in het gesprek. Het functionerings- / ontwikkelingsgesprek legt de basis voor het later te voeren beoordelingsgesprek.De secretaris zal zich, in het geval de beoordeelde een afdelingshoofd betreft, bij de voorbereiding laten informeren door leden van het college.
De afspraken in het functionerings- / ontwikkelingsgesprek worden vastgelegd tussen de direct-leidinggevende en de medewerker op een daartoe door het college vastgesteld formulier en worden gearchiveerd bij het team p&o.
Inhoud functionerings-/ontwikkelingsgesprek:
de direct-leidinggevende en medewerker bespreken in brede zin het functioneren. Tijdens het gesprek komen de functie-inhoud, de samenwerking, de werkbelasting, de organisatie van het werk, de werkomstandigheden en de stijl van leidinggeven aan de orde;
tevens is het gesprek toekomstgericht. De direct-leidinggevende en medewerker onderzoeken gezamenlijk hoe het functioneren zich ontwikkelt en of afspraken over begeleiding, samenwerking en opleiding nodig zijn om het functioneren bij te sturen c.q. vorm te geven aan een gewenst ontwikkelingstraject-perspectief.
De beoordeling betreft de wijze waarop de beoordeelde gedurende het beoordelingstijdvak zin functie heeft vervuld, met inbegrip van zijn gedragingen tijdens de uitoefening van zijn functie.
De beoordeling vindt plaats tegen de achtergrond van de functie en van de aan de functievervulling redelijkerwijs te stellen eisen. Eisen, waarvan de beoordeelde buiten zijn schuld geen kennis droeg, blijven daarbij buiten beschouwing.
Een beoordeling heeft betrekking op tenminste de zes maanden en ten hoogste de twee jaren gelegen direct voor het tijdstip van de beoordeling.
Voor het vastleggen van de beoordeling wordt gebruik gemaakt van een daartoe door het college vastgesteld modelformulier.
Een beoordeling vindt tenminste eenmaal per twee jaar plaats.
In elk geval vind(t)(en):
gedurende de proefperiode van de beoordeelde twee beoordelingsgesprekken plaats:
de eerste beoordeling maximaal zes maanden na aanvang van de functie;
de tweede beoordeling één maand voor de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een vaste aanstelling / arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
in de situatie, dat de beoordeelde nog niet is ingedeeld in de functieschaal jaarlijks een beoordeling plaats.
Het college kan al dan niet op verzoek van de beoordeelde en of de 1e beoordelaar en of de 2e beoordelaar de beoordelings-frequentie ingevolge de voorgaande leden vergroten.
Ingeval de beoordeling een afdelingshoofd betreft, wordt de beoordeling opgemaakt door de secretaris die zich tijdens de voorbereiding ter zake laat informeren door leden van het college. De wethouder p&o zal aan de gesprekken met afdelingshoofden deelnemen.
Het afdelingshoofd kan in het belang van een juiste beoordeling bepalen, al dan niet op een gemotiveerd verzoek van de beoordeelde en/of de 1e beoordelaar, dat de beoordeling wordt opgemaakt door de 1e beoordelaar en de 2e beoordelaar gezamenlijk.In het belang van een zo juist mogelijke beoordeling kan de 1e beoordelaar zich - al dan niet op verzoek van de beoordeelde – laten informeren. Na overleg met de beoordeelde wordt de informant bepaald.
De door 1e beoordelaar opgemaakte concept-beoordeling wordt besproken met de managementadviseur p&o van de betreffende afdeling, die omtrent normstelling en procedure adviseert.
De door de 1e beoordelaar in concept opgemaakte beoordeling wordt aan de 2e beoordelaar voor bespreking en ondertekening voorgelegd.
Aan het beoordelingsgesprek nemen deel de 1e beoordelaar en de beoordeelde. De managementadviseur p&o kan op verzoek van de 1e beoordelaar en/of de beoordeelde bij het gesprek worden betrokken.
De 1e beoordelaar start het beoordelingsgesprek met de beoordelingskwalificatie en verstrekt tijdens het beoordelingsgesprek de concept-beoordeling, vastgelegd op het beoordelingsformulier, aan de beoordeelde. Aan de hand van de beoordelingscriteria licht de 1e beoordelaar de beoordelingskwalificatie toe.
Een samenvatting van het beoordelingsgesprek wordt op het beoordelingsformulier vastgelegd. Indien de beoordeelde ten aanzien van een of meer onderdelen van de beoordeling een afwijkende mening heeft, wordt deze mening door de 1e beoordelaar uitdrukkelijk op het formulier vermeld.
Binnen een week na het beoordelingsgesprek wordt het beoordelingsformulier voor gezien getekend door de beoordeelde en via de managementadviseur p&o voor voorlopige vaststelling aan het afdelingshoofd voorgelegd.
Indien het afdelingshoofd uit de aantekeningen op het beoordelingsformulier blijkt, dat de mening van de beoordeelde op een of meer onderdelen afwijkt van de mening van de beoordelaar(s) bespreekt hij dit met die beoordelaar(s), de beoorbeoordeelde en de managementadviseur p&o. Het afdelingshoofd stelt de beoordeling tenslotte, al dan niet door hem gewijzigd, voorlopig vast. Onverminderd het vorenstaande kan het afdelingshoofd bepalen, dat een nieuwe beoordeling zal moeten worden opgemaakt.
De beoordeelde en de 1e beoordelaar ontvangen binnen één week na de voorlopige vaststelling een afschrift van de beoordeling.
De beoordeelde kan zijn bedenkingen tegen de voorlopig vastgestelde beoordeling binnen 4 weken na ontvangst aan het afdelingshoofd kenbaar maken.
Het college stelt de beoordeling vast na het verstrijken van de termijn van vier weken, bedoeld in artikel 7, vierde lid, indien binnen die termijn door de beoordeelde geen bedenkingen zijn gemaakt.
In het geval de beoordeelde zijn bedenkingen tegen de voorlopig vastgestelde beoordeling kenbaar heeft gemaakt, wordt door het college tot vaststelling overgegaan binnen vier weken na het tijdstip van ontvangst daarvan.
De beoordeelde en de beoordelaars worden van de vaststelling schriftelijk in kennis gesteld, met dien verstande dat de vaststelling bedoeld in het tweede lid nader gemotiveerd wordt.
De opgemaakte beoordelingen worden na zes jaar vernietigd.