Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 15:1:15:1

Jaarplan, Ontwikkeling, Functioneren en Personeelsbeoordeling

Onderdeel van CAR/UWO

In deze regeling wordt verstaan onder: Medewerker: de medewerker, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, sub a, van de AGV. Gesprekcyclus: periode waarin een Jaarplan wordt vastgesteld, een Voortgangsgesprek en een Functioneringsgesprek wordt gehouden, Ontwikkelingsafspraken worden vastgelegd en een personeelsbeoordeling wordt opgemaakt. 1e beoordelaar: de direct leidinggevende van de medewerker; 2e beoordelaar: de leidinggevende van de 1e beoordelaar. Beoordelingsadviseur: de managementadviseur van de betreffende afdeling. Informant: degene die aangewezen is om nadere informatie te verstrekken over de functie-uitoefening door de medewerker. Functie: het geheel van werkzaamheden waarmee de medewerker gedurende het te bespreken/beoordelen tijdvak feitelijk was belast. Functie-eisen: de voor een goede vervulling van de functie bekend gemaakte kwalitatieve en kwantitatieve normen, waaronder vastgelegde competenties. Competentie: het vermogen (houding, gedrag en vaardigheden) van een medewerker om werkzaamheden, die bij een functie horen, goed uit te voeren. College: College van burgemeester en wethouders. Periode van drie jaren, waarin met de medewerker tenminste de volgende gesprekken met de daarbij horende frequentie worden gevoerd: Jaarplangesprek, Voortgangsgesprek en Functioneringsgesprek: jaarlijks; Persoonlijk ontwikkelplan: minimaal een maal per drie jaar; Personeelsbeoordeling: al naar gelang er een specifieke aanleiding is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7. Er is geen vaste frequentie voor de personeelsbeoordeling. Jaarplangesprek Met de medewerker worden jaarlijks werkafspraken gemaakt die de kern van de generieke functie en het vereiste niveau van functioneren aangegeven in relatie tot de eigen bijdrage aan het afdelings- en/of teamplan. Bij deze werkafspraken worden resultaatafspraken met betrekking tot zowel taken / werkzaamheden als de gevraagde kennis en competenties vastgelegd. Daarbij wordt ook besproken wat de medewerker nodig heeft in de vorm van begeleiding, training of opleiding. Daarnaast kan in elk jaarplangesprek met de medewerker afspraken gemaakt worden over de persoonlijke (loopbaan) ontwikkeling die niet primair een rol spelen voor de uitoefening van de huidige functie. In het Jaarplan worden tevens afspraken vastgelegd over de werktijden van de medewerker in het kader van de werktijdenregeling, zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van deze regeling. Afspraken over houding en gedrag dienen eveneens in het jaarplangesprek aan de orde te komen, zoals bijvoorbeeld integriteit en ongewenst gedrag. Voortgangsgesprek In het voortgangsgesprek worden de in het jaarplan vastgelegde afspraken geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. Functioneringsgesprek Ten minste eenmaal per jaar vindt een functioneringsgesprek plaats tussen de medewerker en de direct leidinggevende. De direct leidinggevende en de medewerker hebben een gelijkwaardige positie in het gesprek. In het functioneringsgesprek wordt het resultaat van de afspraken bepaald en bespreken de direct leidinggevende en medewerker of het resultaat overeenkomt met de afspraken uit het jaarplan- en voortgangsgesprek. Dit resultaat van de afspraken wordt voorzien van een motivering. Tevens kunnen eventuele nieuwe afspraken voor een volgende periode voor zowel werkzaamheden als persoonlijke ontwikkeling worden besproken. Het functioneringsgesprek legt de basis voor de personeelsbeoordeling. De algemeen directeur / gemeentesecretaris zal zich, in het geval de medewerker een afdelingshoofd of directielid betreft, bij de voorbereiding laten informeren door leden van het college van burgemeester en wethouders. Het jaarplangesprek, voortgangsgesprek en functioneringsgesprek en de daarin gemaakte afspraken worden vastgelegd op een formulier, overeenkomstig het model van bijlage 1 behorende bij deze regeling. Op basis van hoofdstuk 17 leggen het college en de medewerker in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling van de medewerker, alsmede de in dat kader te volgen opleiding en te ondernemen activiteiten. Hierbij gaat het over persoonlijke ambitie en loopbaanperspectieven van de medewerker, over de gewenste ontwikkelingsrichting en mobiliteit zowel in- als extern. Daarnaast worden daarin afspraken vastgelegd over het persoonlijk loopbaanbudget van € 500,-- voor de jaren 2015, 2016 en 2017. Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt tenminste een keer per drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld. Afspraken over de persoonlijke loopbaanontwikkeling en de ontwikkeling van competenties inclusief kennis en vaardigheden van de medewerker worden vastgelegd in het formulier, overeenkomstig het model van bijlage 1 behorende bij deze regeling. De beoordeling betreft een oordeel over de wijze waarop de medewerker gedurende het beoordelingstijdvak zijn functie heeft vervuld, met inbegrip van zijn gedragingen tijdens de uitoefening van de functie. De beoordeling vindt plaats tegen de achtergrond van de functie en van de aan de functie redelijkerwijs te stellen eisen, waaronder de voor de medewerker vastgelegde competenties. Eisen, waarvan de medewerker buiten zijn schuld geen kennis droeg, blijven daarbij buiten beschouwing. Een beoordeling wordt opgemaakt over een tijdvak dat tenminste zes maanden en ten hoogste twee jaar omvat. Het beoordelingstijdvak strekt zich niet uit over een periode waarover reeds een beoordeling is opgemaakt. De beoordeling wordt vastgelegd op een formulier, overeenkomstig het model van bijlage 2 behorende bij deze regeling. Competenties zijn voor de medewerker vastgelegd in de generieke functie. Van deze competenties wordt voor de toepassing van artikel 3 en artikel 5, lid 2 een zestal kerncompetenties aangewezen. Een beoordeling vindt plaats: gedurende de proefperiode van de medewerker. Uiterlijk in de achtste maand wordt een beoordeling vastgesteld. In de situatie, dat de medewerker nog niet is ingedeeld in de functieschaal. Ten aanzien van deze medewerker wordt jaarlijks een beoordeling vastgesteld. Indien het functioneren van de medewerker daartoe aanleiding geeft. Een beoordeling wordt door de 1e beoordelaar in concept opgemaakt en ondertekend en aan de 2e beoordelaar ter bespreking en ondertekening voorgelegd. De beoordelingsadviseur adviseert over normstelling en procedure en tekent voor gezien. In het belang van een zo juist mogelijke beoordeling kan de 1e beoordelaar zich – al dan niet op verzoek van de medewerker – laten informeren. Na overleg met de medewerker wordt de informant bepaald. Ingeval de beoordeling een afdelingshoofd of directielid betreft, wordt de beoordeling opgemaakt door de algemeen directeur / gemeentesecretaris die zich tijdens de voorbereiding laat informeren door leden van het college. Met inachtneming van deze informatie wordt door de algemeen directeur / gemeentesecretaris de beoordeling in concept opgemaakt en ondertekend. De beoordeling als bedoeld in artikel 8 wordt door de 1e beoordelaar besproken met de medewerker in een beoordelingsgesprek. Een samenvatting van het beoordelingsgesprek wordt op het beoordelingsformulier vastgelegd. Indien de medewerker over een of meer onderdelen van de beoordeling een afwijkende mening heeft, wordt deze mening door de 1e beoordelaar op het beoordelingsformulier vermeld. De medewerker tekent het beoordelingsformulier waarmee wordt aangegeven dat van de inhoud kennis is genomen. Binnen een week na het beoordelingsgesprek neemt de 1e beoordelaar een voornemen besluit tot vaststelling van de beoordeling. Dit voornemen besluit wordt aan de medewerker bekendgemaakt. De medewerker kan binnen twee weken na het voornemen besluit als bedoeld in het eerste lid schriftelijk bedenkingen indienen bij de 1e beoordelaar. De 1e beoordelaar stelt namens het college de beoordeling vast, wanneer de medewerker geen bedenkingen heeft ingediend binnen de in het tweede lid genoemde termijn. De medewerker die bedenkingen heeft ingediend, wordt in de gelegenheid gesteld dit mondeling bij de 1e beoordelaar toe te lichten. Beide kunnen bepalen dat andere personen bij dit gesprek aanwezig zijn. De 1e beoordelaar wijzigt de beoordeling in zoverre hij de bedenkingen van de medewerker deelt en stelt binnen vier weken na ontvangst van de bedenkingen de beoordeling namens het college vast. Bij de vaststelling van de beoordeling deelt de 1e beoordelaar de medewerker schriftelijk mee of hij wijzigingen in de beoordeling heeft aangebracht, en zo ja, welke. Daarbij geeft hij gemotiveerd aan waarom hij niet of niet volledig aan de bedenkingen is tegemoet gekomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel