Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie,
bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of
meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing
geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts
telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te
zijn.
Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden door en uit elke
organisatie op de volgende wijze leden en hun plaatsvervangers
aangewezen.
Indien een organisatie tot haar leden telt:
10 tot en met 49 ambtenaren :
1 lid en 1 plaatsvervanger;
50 tot en met 99 ambtenaren :
2 leden en 2 plaatsvervangers;
meer dan 100 ambtenaren :
3 leden en 3 plaatsvervangers.