a. dag: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van
een dag als een hele dag wordt aangemerkt;
b. week: een aaneengesloten periode van zeven dagen;
c. maand: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een
kalendermaand tot en met de (n-1)e dag in de volgende
kalendermaand;
d. jaar: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een
kalenderjaar tot en met de (n-1)e dag in het volgende
kalenderjaar;
e. kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december.
Hoofdstuk
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van De derde wijziging van de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2010