1.
De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. 2.
De meerwaarde die door het treffen van een voorziening is ontstaan, dient bij verkoop van de woning gedeeltelijk aan de gemeente te worden teruggestort.
De restitutie bedraagt:
voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde,
voor het tweede jaar 90% van de meerwaarde,
voor het derde jaar 80% van de meerwaarde,
voor het vierde jaar 70% van de meerwaarde,
voor het vijfde jaar 60% van de meerwaarde,
voor het zesde jaar 50% van de meerwaarde,
voor het zevende jaar 40% van de meerwaarde,
voor het achtste jaar 30% van de meerwaarde,
voor het negende jaar 20% van de meerwaarde en
voor het tiende jaar 10% van de meerwaarde
in alle gevallen minus het bedrag van de eigen betaling dat voor rekening van de eigenaar is gekomen. 3.
a. De beoordeling of er gebruik wordt gemaakt van het opleggen van een verhuisverplichting als bedoeld in artikel 10 lid 3 van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012 vindt alleen plaats indien de aanpassing van de woning een bedrag van € 9.000,- te boven gaat;
b. het bedrag voor de tegemoetkoming in de verhuiskosten als genoemd in artikel 10 lid 4 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012 bedraagt € 2.400,-. 4.
Aan een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een gehandicapte de woonruimte, bestemd voor permanente bewoning, heeft ontruimd kan een bedrag verstrekt worden van
€ 4.800,-. 5.
Een financiële tegemoetkoming in de kosten van keuring, onderhoud en reparatie van de woonvoorziening is mogelijk voor alleen de hieronder vermelde voorzieningen:
a. trapliften;
b. rolstoel- of sta-plateauliften;
c. woonhuisliften;
d. patiëntenliften;
e. mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad- of wastafel;
f. elektromechanische openings- en afsluitingsmechanismen van deuren.
De tegemoetkoming is gelijk aan de werkelijke kosten. Indien de kosten voor een voorziening op jaarbasis hoger zijn dan € 500,- moet worden onderzocht of de betreffende voorziening aan vervanging toe is. 6.
De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting bedraagt:
a. de werkelijke kosten met een maximum van € 600,- per maand als tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte en het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte;
b. de werkelijke kosten met een maximum van € 300,- per maand ter tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van een niet zelfstandige woonruimte.
7.
De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving bedraagt maximaal € 600,- per maand. De vergoeding wordt niet eerder verleend dan vanaf de tweede maand waarin sprake is van huurderving tot maximaal zes maanden. 8.
Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken bedraagt € 4.600,-. 9.
Indien de technische levensduur van een woonwagen of woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, wordt een maximum vergoeding gesteld aan de aanpassingskosten van € 1.450,-.
10.
De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een individuele woonvoorziening op grond van de Wmo bedragen 10% van de kosten, met een maximum van
€ 400,-.
Hoofdstuk 5
Artikel 6
Vaststelling bedrag financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen
Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Woerden 2012