Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Gevonden zaken

Onderdeel van Beleidsregels gevonden voorwerpen

1.. De vinder van een gevonden voorwerp, die deze onder zich neemt, is verplicht hiervan met bekwame spoed aangifte te doen bij de daartoe door het college aangewezen ambtenaar, tenzij hij terstond na de vondst daarvan mededeling heeft gedaan aan degene die hij als eigenaar of als tot ontvangst bevoegd mocht beschouwen. 2.. De aangifte als bedoeld in het eerste lid dient plaats te vinden overeenkomstig een door het college vastgesteld formulier. 3.. Het college verstrekt op het moment van aangifte of van inbewaringneming hiervan een bewijs aan de vinder. 4.. De gemeente verstrekt aan vinders geen vergoeding voor de kosten voor de bewaring en onderhoud van het gevonden voorwerp. 5.. De gemeente houdt een register bij van gevonden voorwerpen. In dit register wordt ten minste vermeld: een omschrijving van het gevonden voorwerp; een schatting van de economische waarde; de datum van de aangifte en/of inbewaringstelling aan de gemeente; de naam en het adres van de vinder; de van toepassing zijnde wettelijke termijn (tot bewaring); de datum van vernietiging of overdracht (verkoop of om niet) van het gevondenvoorwerp.

Rechtspraak bij dit artikel