Artikel 2.33, tweede lid van de Wabo
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover:
gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g van de Wabo, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunningen bepaald termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
de vergunninghouder daarom heeft verzocht;
deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d van de Wabo indien dit in het belang van de brandveiligheid nodig is met het oog op het voorziene gebruik van bouwwerken, en het niet mogelijk blijkt door toepassing van artikel 2.31, tweede lid, onder a van de Wabo dat belang voldoende te beschermen;
deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo, indien:
dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen nodig is;
de inrichting of het mijnbouwwerk geheel of gedeeltelijk is verwoest;
deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd dat het belang van de monumentenzorg zwaarder moet wegen;
deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wabo, op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken algemene maatregel van bestuur;
deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wabo, op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening;
deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.19 van de Wabo, op de gronden die zijn aangegeven in het betrokken wettelijk voorschrift.