Op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a van de Wabo zijn burgemeester en wethouders bevoegd om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g van de Wabo in te trekken indien gedurende 26 weken onderscheidenlijk binnen de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
Deze intrekkingsgrond wordt vaak toegepast als de gemeente het planologische regime heeft gewijzigd dan wel wil wijzigen en een in het verleden vergunde bouwplan daar niet meer in past. Ook komt het voor dat de van toepassing zijnde regelgeving dusdanig is aangepast, dat de oude omgevingsvergunningen niet meer voldoen aan de huidige voorschriften. Bij het intrekken van een omgevingsvergunning dient dan ook een belangenafweging te worden gemaakt alvorens het besluit wordt genomen. In het kader van deze belangenafweging zijn reeds vele uitspraken gedaan. Hieronder volgt wat relevante jurisprudentie.
Zo heeft de ABRvS in een uitspraak van 29 juli 2009, (nr 200900461/1/H1) nadrukkelijk overwogen dat bij de afweging of er een aanleiding bestaat een bouwvergunning in te trekken omdat deze gedurende langere tijd dan in de gemeentelijke bouwverordening is bepaald niet is gebruikt, altijd mag worden meegewogen of het gaat om een vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenste ontwikkelingen, ook indien het gaat om een binnen het geldende bestemmingsplan passend bouwplan.
Het intrekken van een bouwvergunning kan, zoals blijkt uit de wettekst en de jurisprudentie, ook gedeeltelijk geschieden (ABRvS 29 december 2004). Geciteerd: “Vast staat dat niet binnen 26 weken na onherroepelijk worden van de bouwvergunning is aangevangen met bouwwerkzaamheden voor de kassen. Met de bouw van de werktuigenloods is wel een aanvang gemaakt. Nu deze loods ook naar het oordeel van de Afdeling zelfstandig ten dienste kan staan aan de uitoefening van een agrarisch bedrijf, heeft de rechtbank met recht geoordeeld dat het college bevoegd was de bouwvergunning gedeeltelijk in te trekken”.
Bovendien is in een uitspraak van ABRvS van 24 september 2003 uitdrukkelijk overwogen dat een gewijzigd planologisch regime niet per se aanwezig behoeft te zijn om de bouwvergunning in te kunnen trekken. Alleen het feit dat de vergunninghouder niet binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn met bouwwerkzaamheden is begonnen en vergunninghouder niet aannemelijk kan maken dat binnen afzienbare tijd alsnog met de bouw begonnen wordt, vormden een voldoende redelijk belang om de bouwvergunning in te trekken. Bij het intrekken van een bouwvergunning zal wel altijd een afweging gemaakt moeten worden tussen de belangen van de vergunninghouder bij het instandhouden van de vergunning en het algemeen belang bij intrekking daarvan.
Hoofdstuk
Artikel Toelichting intrekkingsgronden
Artikel Toelichting intrekkingsgronden
Onderdeel van BELEIDSREGEL INTREKKEN OMGEVINGSVERGUNNING MET ACTIVITEIT BOUWEN HELMOND 2012