1.De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, is verschuldigd bij deaanvang van het belastingjaar.
2.De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, zijn verschuldigd bij het beginvan het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
3.Indien de belastingplicht met betrekking tot het eigendom voor de belasting als bedoeldin artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigdebelasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalender-
maanden overblijven.
4.Indien de belastingplicht met betrekking tot het eigendom voor de belasting als bedoeldin artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de vermindering minder dan € 5,00 bedraagt.
5.Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen degemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.
Artikel 10
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten 2010