Het is verboden de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:
Degene die voornemens is de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan niet 4 weken van tevoren melding heeft gedaan aan het college.
het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
het gebruik het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden betreft.
De openbare plaats kan anders gebruikt worden dan overeenkomstig de publieke functie indien het college niet binnen de in het eerste lid onder sub a genoemde termijn na ontvangst van de melding heeft beslist dat het gebruik wordt verboden.
Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden.
Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder a, b en c gestelde verbod.
Het bevoegde gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend;
het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden op van gemeentewege aangegeven locaties op basis van een met de gemeente gesloten overeenkomst;
het van gemeentewege plaatsen van verkiezingsborden ten behoeve van politieke partijen.
Het verbod in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.
Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Hoofdstuk › Afdeling
Artikel 2:10
Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Teylingen 2012